banner
jan 4, 2026
82 Views
Reacties uitgeschakeld voor Terug naar het oude Ieper

Terug naar het oude Ieper

Written by
banner

Zondag 25 september 1864. Nu we onze stad voortdurend zagen veranderen en allerlei nieuwe constructies uit de grond rezen terwijl oude gebouwen genadeloos tegen de vlakte gingen onder de handen van moderne vandalen, zou het misschien eens interessant zijn voor onze lezers van 1864 door onze stad rond te dwalen zoals die er moest uitgezien hebben in het begin van de 17e eeuw, onder de glorieuze regering van de aartshertogen Albrecht en Isabella.

Het was echter niet zonder bedenkingen en spijtgevoelens dat we door Ieper toerden, onze stad die ooit nog zo volkrijk en vol nijverheid stak en nu van zijn voetstuk getuimeld was en het er alleen nog maar op leek dat het gras in de straten groeide en de echo van de stilte regeerde. We keerden eerst nog even verder terug in de tijd.

De achteruitgang was ingezet na het beleg van 1383 waarbij Ieper om zich te redden al zijn voorsteden met een aanzienlijke omvang waar voornamelijk wevers woonden, vernield had. Sinds dan – opgesloten binnen de stadsmuren – hadden we de fabrikanten zien wegkwijnen en vertrekken, zij die de bron waren geweest van al Ieper’s rijkdom en uitstraling. Toch bleef de handel zijn gang gaan, zij het aan een loom tempo.

En hoewel de Ieperse fierheid niet verdwenen was, had het vertrek van de beste ambachtslieden toch serieus gevreten aan de stedelijke krachten. De regering van koning Filips II en zijn rampzalige herinnering zou niet weinig bijdragen tot de complete ondergang van de stad. Veertig jaar van rellen en burgeroorlogen hadden de bronnen helemaal uitgeput en zelfs zijn buitenomgeving was veranderd in een woestijn.

Dat was de toestand geweest bij de dood van Filips II toen hij het bestuur van de Spaanse Nederlanden overliet aan zijn dochter Isabella die in 1599 getrouwd was met aartshertog Albrecht. Het prinselijk koppel leverde aanzienlijke inspanningen om opnieuw vrede en welvaart te brengen in het land. Ieper boorde nieuwe bronnen aan en de nijverheid begon aan een heropleving.

Onder de hoge bescherming van Isabella bloeiden de kerken en de kloosters. De aanvallen op de religieuze orden hadden een belangrijk deel van de geestelijkheid weggeveegd op het platteland en dus keerden velen van hen nu terug naar de veiligheid binnen de Ieperse stadsmuren. Halverwege de jaren 1600 zou de stad in totaal meer dan twintig kerken en kloosters tellen. Op vandaag was het merendeel ervan enkel nog een herinnering.

Bij het aantreden van Albrecht en Isabella was de bevolking ook sterk geslonken. Op minder dan drie eeuwen tijd had Ieper 7/8e van zijn inwoners verloren. De lakennijverheid die zo florissant geweest was in de 15e eeuw toen ze nog kon rekenen op 2.000 ambachtslieden had er in het begin van de 17e eeuw nog maar tien overgehouden. Ieper beschikte dan over ongeveer dezelfde oppervlakte als heden ten dage.

Zijn versterkingen bestonden uit bakstenen muren en op de vestingen zelf trof men zeven windmolens aan. We reden de stad binnen door acht poorten en dat waren de Mesenpoort, Tempelpoort, Boterpoort, Elverdingepoort, Boezingepoort, Diksmuidepoort, Torhoutpoort en de Antwerppoort of Hangewaartpoort die nu op vandaag de Menenpoort was. Al deze stadspoorten leken allemaal op kleine citadellen die met de buitenzijde van de stad verbonden waren d.m.v. valbruggen die bewaakt werden door soldaten.

In die tijd bestonden nog geen kazernen en werden de garnizoenen te slapen gelegd bij de inwoners. Er bestond een burgerwacht die twee keer per jaar zijn wapenoefeningen ten berde gaf op de Grote Markt. Volgens lijsten die opgemaakt werden door de Spanjaarden beschikte Ieper in die dagen over 2.400 huizen waarvan 1.910 met twee verdiepingen en 490 met één verdieping.

De stad werd van water voorzien door de vijvers van Zillebeke en Dikkebus waarbij de Ieperlee in open lucht door de stad stroomde. Ooit was zijn water helder en visrijk maar nu enkel nog een buffer voor mogelijke overstromingen en een onvervalste beerput. In de oude tijden was deze Ieperlee bevaarbaar en bracht ze boten vanuit de haven van Zandhove tot binnen in de stad. Om de niveauverschillen op te vangen langs zijn parcours vanaf Boezinge hadden ze vroeger een systeem van dubbele sluizen ontworpen.

Als gewezen hoofdstad van het Westkwartier van Vlaanderen beschikte Ieper over de residentie van de burggraaf van die naam en ook over een bisschoppelijke zetel. De stad had eveneens zijn grootbaljuws en illustere raadsleden gehad in zijn lang vervlogen geschiedenis. In de stad floreerden vier gilden; die van Sint-Georges, Sint-Sebastiaan, Sinte-Barbara en Sint-Michiel. Onze prinsen en heren gunden ons dit plezier en heel vaak figureerden ze zelfs als gildeleden ervan. Ieper kon in zijn glorievolle tijden beschikken over vier retoricakamers die zich overeind hadden weten te houden doorheen de wisselende omstandigheden van het stadsleven.

De maatschappij Alfa & Omega was de oudste en meest gerenommeerde van heel Vlaanderen en bestond enkel uit figuren die ooit lid waren geweest van het stadsbestuur.
Die van Onze-Lieve-Vrouw van Alsemberg met zijn devies ‘Van ‘t geest weldaden zijn lichtgeladen’, had ooit meesterpoëet Claude Declerck als lid gehad. En dan waren er ook die van Sinte-Anna onder het motto ‘Rosieren met melodie’ waar François Bellet ooit nog dichter van was.

En als laatste ook de Getrouwe Harten. Er waren nog heel wat andere verenigingen in Ieper maar die waren toch minder belangrijk geweest in onze stedelijke geschiedenis. Buiten diegenen misschien diegene van de wachters die belast geweest waren met het toezicht over de stad en het bewaken van de stadssleutels en zijn poorten. Ze werden de ‘bezanters’ genoemd.

De vreemdeling die in de 17e eeuw op verkenning ging in onze stad zou zich natuurlijk eerst en vooral reppen naar de Grote Markt en zijn majestueuze lakenhalle. En naar de Sint-Maartenskathedraal die beiden op de goedkeuring van de kenners konden rekenen. Het belfort beschikte dan nog over zijn steiger met twee trappen. Het Nieuwerck was nog maar net afgewerkt.

In zijn hoek rees het pelorijn op waarrond de graanmarkt werd gehouden. De magistraten vergaderden in het huis van de kasselrij en rechtover bevond zich de burgerlijke gevangenis die nu vandaag herberg ‘De Zon’ huisvestte. Rechtover De Zon hield men de pensenmarkt en wat verder de groenten- en fruitmarkt. De achterzijde van de Grote Markt werd ingenomen door het Onze-Lieve-Vrouw gasthuis dat nu helemaal heropgebouwd was.

De voornaamste herbergen waarvan er nu nog een meerdere van bestonden waren De Kleine Conciergerie, Het Koninklijk Zweerd naast De Rode Leeuw, De Drie Koningen, De Valk en Het Bezant waar de wachters naartoe kwamen. Tussen de toegangspoort van de lakenhalle en de zijingang van de Sint-Maartenskathedraal troffen we de kapel van de Heilige Geest aan. Het kerkhof van Sint-Maartens werd door een stenen balustrade afgescheiden van de openbare weg. Rond 1622 had bisschop de Hennin de eerste steen, van deze kapel gelegd. Achter de kerk stond het bisschoppelijk paleis opgetrokken op het groot terrein waar ooit nog het vroegere Sint-Maartensklooster prijkte.

Na de begroeting van onze twee topmonumenten wilden we onze lezers nu eens gidsen door de straten van onze oude Vlaamse stad. En om onze wandeling wat gemakkelijker te maken, wilden we de stad opdelen in vier kwartieren genaamd naar de stadspoorten die de wegen naar buiten brachten. Wat ons meteen opviel was het groot aantal houten huizen met triomfantelijke puntgevels en talrijke versieringen waarvan hun zeldzame en nietige restanten nu alleen nog maar een flauw afkooksel van het groot verleden boden.

We vatten aan binnen te komen via de Torhoutpoort en gingen eerst een glas lekker Vlaams bier drinken in herberg Boerenhol. Tussen die plaats en de Diksmuidestraat kwamen we het klooster van de Recollettenstraat tegen waar ze het miraculeus beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Thuyne bewaarden. En vervolgens was er de brasserie ‘Het Lam’ waarvan het bier zeer aangenaam onze kelen smeerde.

We kwamen gehaast voorbij aan de Berg van Barmhartigheid en we troffen aan de Houtmarkt het begijnhof aan waarvan de binnenzijde ervan een heuse straat vormde met meerdere huisjesrijen, bewoond door tal van begijnen. Bij het terug naar boven gaan richting Diksmuidestraat zagen we aan onze linkerzijde het steegje met de geestelijke gevangenis. We bemerkten er het klooster van de zwarte zusters en de gevangenis die bisschop Maes in 1608 had laten oprichten om te dienen als opvangplaats voor de overdreven galante priesters van zijn tijd. De ‘Nachtegaal’ was een herberg voor reizigers.

We staken nu de Grote Markt over en gingen op weg naar het tweede stadskwartier dat ons leidde naar de Mesenpoort. In de Sint-Jacobsstraat lieten we aan onze linkerzijde café Versailles. Daar toonden ze je aan de linkerkant van de straat de kerk van Sint-Jacob-de-Meerdere wiens toren nog niet afgewerkt was en niet ver daar vandaan de tuin van de retoricagilde De Rosieren.

Hoeveel kloosters waren er toch in deze straat! Bij het kerkhof het vrome huis van Sinte-Katherine dichtbij de abdij van de zusters der Nonnebossen en zowat zijde aan zijde het klooster van de karmelieten die woonden in een aanzienlijk gebouw dat zich uitstrekte tot aan de Dhondtstraat. Lager, maar in dezelfde Sint-Jacobsstraat troffen we nog het klooster van de Ierlandse Dames en dat van de urbanisten ofwel de rijke klaren.

Op die manier bereikten we de Mesenpoort waar de Ieperlee zijn intrede doet in de stad. ‘De Gouden Schep’ en ‘Nieuwkerke’ waren er drukbezochte staminees. We draaiden rechtsaf in de Zuidstraat en kregen direct het godshuis het Nazareth – een gasthuis voor ouderlingen – en het Sint-Janshospitaal waar men oude vrouwen opving. De Lange Tegelstraat leidde ons recht naar het kapucijnenklooster met zijn kleine maar erg schone kerk.

Ongeveer in het midden van de parochiekerk van Sint-Pieters waarvan de toren beschadigd was door een blikseminslag. De bouw van dit monument in Romaanse stijl, een van de oudste van Ieper werd volgens zekere kroniekschrijvers voor het merendeel betaald door uitlaten. Er restte ons nog om te gaan kijken naar het klooster van de kapucinessen in de Sinte-Katharinastraat en het Belle godshuis opgericht in de 13e eeuw door Christine de Guines en Salomon Belle voor het onderhoud en verzorging van een deel oude vrouwen. Het was in de Zuidstraat dat men ook de brasserie ‘De Kraai’ aantrof, het oude huis van de tempeliers aan de hoek van de Weversstraat en het Gouden Hoofd, het voornaamste hotel van de stad.

En nu gingen op bezoek in het kwartier van de Tempel. Vanaf het Vleeshuis waarvan de constructie dateerde van 1530 tot aan de Casselstraat troffen we eerst de Botermarkt aan die in vroegere tijden gehouden werd onder de voute van het belfort. Aan de hoek van de Sterrestraat zagen we herberg ‘Den Drogen Boom’ waar de vishandelaars elkaar ontmoetten. De mannen van de boter troffen elkaar in café Valenciennes.

Via de Sterrestraat, terwijl we in de Arme Meisjesstraat met zijn Elisabethgasthuis en de Voldersstraat met het weeshuis voor jongens, zetten we onze route voort richting Zaalhof waar we het gravenkasteel zagen, helemaal omringd door water en verdedigd met een versterkte muur. Men kon er binnentreden via een ophaalbrug. Het was de woonplaats van de burggraaf van Ieper en de vergaderplaats van de magistraten voor de bouw van het kasselrijhuis op de Grote Markt.

Achter het Zaalhof bevond zich het klooster van de dominicanen en een erg uitgestrekte blekerij. Verderop, in de Bolstraat konden we het klooster van de jezuïeten bewonderen. Zijn grote en mooie kerk met zijn vierkante toren die zich uitstrekte boven een schitterende galerie. Bij het verwijderen van de Verliefdenstraatje dat ingenomen werd door het klooster, hadden de geestelijken er een kleine kapel gebouwd ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van de Vesten omdat die gelegen was langs de vestingen van de Tempelpoort.

Het was een druk bezocht bedevaartsoord waar zich in het verleden naar verluidt veel mirakelen hadden voorgedaan. Op vrij korte afstand van de jezuïeten rees het klooster van de arme klaren op en het seminarie. Bij het opdraaien van de Vleeshouwersstraat die gevormd werd door herberg ‘De Zwaan’ zetten we onze weg verder. Daar wezen ze ons in de verte op de massieve toren die dienstdeed als poedermagazijn en dichter bij ons op het tuchthuis, een verbeteringstehuis waar de landlopers en de mensen van het slechte leven opgesloten werden. De leeggangers werden er geslagen en afgeranseld.

Er restte ons nu enkel nog een laatste kwartier te doorlopen. Dat van de Elverdingepoort gelegen aan het uiteinde van de straat met diezelfde naam. We passeerden eerst door de Boterstraat en rechtover brasserie ‘De Kameel’ zagen we de Sint-Niklaaskerk en de toren van de Sint-Jansabdij. Voor ons lag de abdij van Roesbrugge die de gebouwen innam gelegen bij de ingang van de poort.

We kwamen voorbij achter het augustijnenklooster. Tegen de kerkmuur zagen we er vastgemaakt de eerste van de twaalf staties van de passie van de heer die de gelovigen doorliepen in tijden van de vasten. De grijze zusters woonden in de Elverdingestraat die ons naar de Leet leidde. Hier bevond zich de kom van de Ieperlee. De kaaimuren strekten zich uit tot aan Schotland en ze waren met elkaar verbonden door bruggen in hout en steen.

Hier heerste de drukte van de havens. Het waren boten die na hun aankomst uit Nieuwpoort hun talrijke ladingen losten. Wat het grote belang van de scheepvaart aanduidde, dat was het Huis van de Scheepslieden dat toegang gaf tot de plaats en opgetrokken was op kosten van de schippersgilde. Men kon er de twee bas-reliëfs bewonderen met de afbeelding van schepen en hoger een kapel met het standbeeld van hun patroon Sint-Clément.

Een groot portaal, beschut tegen de regen diende als toegang van een woning wiens kelders dienden als opslagplaats voor de goederen. En dan bereikten we aan die kant de tuin van Sint-Barbel waar de leden van dit broederschap zich dagelijks kwamen ontspannen. We hielden finaal stil aan de Boezingepoort. Zo zag Ieper er dus uit meer dan 200 jaar geleden. Met enkele grote grove steken konden we ons nu nog altijd een vaag beeld vormen hoe onze stad er uitzag en aanvoelde in de jaren 1600.

Dit is een fragment uit Boek 1830-1876 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1830-1876
banner