Maandag 27 augustus 1781. Vandaag was het de dag van de plechtigheden, waartoe een schoon verheven theater gemaakt was recht voor de steeger van de lakenhalle, met het open deel voor de Zuidstraat, met een klein verdiep er inbegrepen, waar een stoel stond, in het goud geborduurd met rood fluweel met een identiek kussen. Die stoel zou gebruikt worden om de eed af te nemen van de gedeputeerden.
Op de grond van dit verdiep stond de afbeelding van Jozef II geschilderd, in dezelfde kleding zoals hij door Vlaanderen gereisd had, toebehorende aan de bisschop en zeer naturel geportretteerd. De hertog werd eerst geleid naar de Sint-Maartenskerk waar in het koor een troon opgesteld stond, die was behangen met rood fluweel met de arend in het goud (het wapen van Oostenrijk) in geborduurd. Daar nam de hertog zijn plaats in tijdens de misviering.
Die werd plechtig gedaan door onze bisschop met volle muziek en de dienst duurde ongeveer twee uren. Men zag zodanig weinig devotie in de kerk van de uitgaande en inkomende personen dat het geen kerk meer leek te zijn. Na de mis waren ze met zijn allen naar de Grote Markt gekomen. En op het podium gekomen, had de hertog na het aflezen van zijn commissie door een van zijn bedienden, met de formule van de eed afgelegd, gezeten op de stoel die daar voor hem gebracht was.
Al de heren gedeputeerden rechtstaande gingen nu elkeen om beurt zijn eed afleggen. Ze omringden zodoende de hertog op het podium waardoor de vele duizenden mensen die van alle kanten afgekomen waren om de plechtigheid bij te wonen, de ceremonie niet eens konden zien. Na afloop gingen ze terug naar de Sint-Maartenskerk om het Te Deum te zingen en daarna naar het stadhuis waar de tafel bereid was voor 90 personen.
Tijdens het laatste gerecht werd er vanwege de gilden lustig geschoten op de Grote Markt. ‘s Avonds werd heel de stad in het licht gezet, wat zeer fraai om zien was. Want in de bijzonderste straten had elk meegedaan om prijs. Men beweerde dat de verlichting in Ieper veel treffelijk er was geweest dan in Gent, maar dat het podium ginder dan weer veel groter en kostelijker was.
De Grote Markt was rondom gemaakt als in een galerij, met menige duizenden lantaarntjes. En voor de straten waren er triomfpoorten die van boven tot beneden helemaal in blikken lampjes behangen waren, van wie het lament van het ene tot de andere lampen opende zo elkaar ontstoken van onder tot boven. Dit geschiedde doordat het lament bestreken was met de geest van terpentijn, aan de poorten voor de straten en drie aan de fontein.
Men beweerde dat er 15.000 à 17.000 lampjes waren, allemaal gevuld met schaapsroet. Ze leken wel op sterren. Aan de achtermuur van het bisdom waren er 9.000, die in figuren en harten vastgeslagen waren in de muur, en eveneens de letters ‘Vive Joseph’. Heel de voormuur van de lakenhalle was bekleed met hulst, waarmee men lang bezig was geweest en die nu al sterk opgedroogd was. Boven de hulst stonden er twee teerpotten die zeer vol gegoten waren en toen de teer ontstoken werd, deed het vuur de teer zwellen en overlopen. Waardoor die gedroogde hulst zodanig in vuur kwam dat men vreesde voor de lakenhalle en de Sint-Maartenskerk en eigenlijk voor de hele stad.
In elk raam van de lakenhalle waren de oude graven van Vlaanderen geschilderd op papier van wie er enkele in brand gevlogen zijn. En zonder de waakzaamheid van de mensen en de spuiten was de brand te vrezen geweest. De brandklok klopte gedurig en bracht zo veel mensen op de been dat men niet kon geloven dat er zo veel mensen in Ieper leefden. Aan het opperste van de halletoren gaven de teerpotten schoon licht, maar al diegenen die boven de hulst hingen werden leeg gegooid.
De paters kapucijnen hadden een lange smalle ingang aan hun klooster en ze hadden die vol lantaarns gehangen, boogsgewijze altijd lager en lager zodat men het licht van die gang veel langer scheen dan hij in werkelijkheid was en al de mensen vonden dat uitstekend uitgevonden.
Aan elke kant van het theater stond een stuk witte wijn op een verhoog van 8 à 9 voeten en onder ieder stuk stonden er twaalf à veertien personen lustig te zuipen met kannen, glazen en schotels. Ze brachten zichzelf wel in duizend perikelen om hals en benen te breken zoals dat ooit eens gebeurd was met een soldaat toen de prins de Ligne de deputatie installeerde voor prins Karel. De soldaat viel toen met zijn zatte botten van het stuk wijn en brak zijn arm. In het bisdom waren er ook twee stukken wijn. Een rode en een witte, die afgebeeld als de maagd van Ieper op een triomfwagen de hertog de erewijn aanbood.
Dinsdag 28 augustus 1781. Om 18u vertrokken de hertog en hertogin van Ursel en begaven ze zich naar Brussel. Ze ontvingen bij hun vertrek dezelfde eer als bij hun aankomst. Al de steden van West-Vlaanderen hadden meegeholpen om de kosten van de feesten te helpen dragen. Omdat de voorgevel van de lakenhalle die door de lengte van de jaren een zwarte tint had gekregen, besloten de afgevaardigden die nu wit te doen schilderen.
Deze van Poperinge die het meest bijgedragen hadden in de kosten, verzetten zich tegen dat idee en wilden dat de gevel tot aan de kantelen in steekpalm zou bekleed worden. ‘s Avonds bij algemene verlichting had men lampen en pekpotten in de holten van de vensters geplaatst waardoor het vuur zich aan het palmgroen voortzette. Door dit begin van brand had de hallegevel een vuil kleur gekregen. Een verslag daarvan werd overgemaakt aan de hertog die nog voor zijn vertrek van de Poperingenaars eiste dat ze de kosten voor het kuisen van de gevel op zich moesten nemen.
Dit is een fragment uit Boek 1600-1784 van De Grote Kroniek van Ieper


