banner
okt 11, 2025
485 Views
Reacties uitgeschakeld voor Dode vissen in het riet

Dode vissen in het riet

Written by
banner

Maandag 26 april 1915. Brand in het college. Een obus van 420mm vernielde de gebouwen langs de vestingen en stak de rest in brand. Voor de ingangspoort in de Menenstraat lagen drie lijken. Een van de drie was een man van rond de vijftig jaar. We tilden hem op. Zijn rechterarm bleef in onze handen steken, heel zijn borstkas was opengeschoten, hart en ingewanden lagen bloot. Een ander slachtoffer, een jonge vrouw zonder enige zichtbare wonde of letsel lag als op haar doodsbed uitgestrekt, met de handen dichtgevouwen. Wat verder lag een andere vrouw, met borst en zijde ingestuikt, de ogen wijd open gesperd. Ze hield een stok tussen haar stramme vingers geklemd. We voerden een obusstuk van veertig kilo weg.

De Britse genie had een brug over het vestingwater geworpen aan de kanten van Sint-Pieters. Het gevaarte lag er amper twee dagen toen vier obussen van groot kaliber er op terecht kwamen. De brug werd vol in het midden getroffen en weggeslagen zodat de stukken hout tot in de huizen achter de vestingmuur vlogen. Iedere obus die in het water terechtkwam veroorzaakte er een soort van trog die dan in één beweging in de lucht geslingerd werd. Telkens lagen er tenminste een paar honderd grote en ontelbare kleine dode vissen in het riet. We wilden die gaan oprapen maar de dreigende kogels van een Britse soldaat weerhielden ons daarvan en we vluchtten weg. Alle hulpposten waren verdwenen uit de stad. We lagen met twee gekwetsten in onze kelder; een jongeling met een doorschoten rechterbil en een vrouw die verscheidene shrapnelballen in haar lichaam gekregen had.

Nu en dan vloog een Brits ambulancevoertuig in dolle vaart voorbij, maar die stak vol. We maakten tekens maar niemand waagde het om te blijven stilstaan want er ontploften voortdurend shrapnels op de Grote Markt. De jongeling in kwestie was erg gekwetst en verloor veel bloed. Zijn toestand vereiste onmiddellijke hulp. Ik waagde het er op om op een drafje naar ket krankzinnigengesticht te lopen, juist buiten de stad. Op de boulevard werd ik tegengehouden door een Britse ‘Military Police’ die me verbood om nog verder te gaan. Immers, overal rond het station en in de richting van Vlamertinge waar ik voorbij moest, ontploften er shrapnels. Ik liep weg van de Brit en vond op de spoorwegbrug twee paarden liggen. Dood.

Ze hingen nog vast aan een verbrijzelde wagen. Twee benen van een Britse soldaat staken nog onder het lijf van een van de paarden. Heel de brug was besmeurd met geklonterd bloed. Een vijftigtal stappen verder lag een man, in het zwart gekleed. Zijn ene hand rustte op het pakje waarmee hij aan het vluchten was, zijn andere hand hield iets omkneld op de borst. Zijn gelaat was afzichtelijk verwrongen en zijn mond stond halfopen als bij een ingehouden kreet. Een paar stappen verder lag een andere pak, het zwarte doek waarin het geknoopt zat, opengevallen en een paar schoenen, een zakuurwerk en zijn kerkboek die hier nu op de straatstenen lagen.

Volgens het Britse rapport van zaterdag 24 april hadden de Canadezen hun vier zware kanonnen die in vijandelijke handen gevallen waren, heroverd en ze hadden daarbij veel krijgsgevangenen gemaakt. Maar de grootste winst was ongetwijfeld voor de Duitsers. Ze hadden vijfduizend gevangenen genomen en een kleine vijftig kanonnen. De Fransen bleven de schuld van hun nederlaag wijten aan de algemene praktijken van de Duitsers. Ooggetuigen van de Duitse aanval op Boezinge waren van mening dat de Duitsers geen bijzondere bommen met verstikkend gas gebruikten, maar dat een soort damp van voorlopig onbekende inhoud vanuit hun loopgraven werd voortgedreven.

De geallieerden hadden al vroeger een ongewone beweging bemerkt achter de borstweringen van de vijand waarin openingen waren gemaakt. De Duitsers wachtten een gunstige wind af om onder druk dampen uit te drijven, die herkend waren als afkomstig van chloorgas. De troepen van de geallieerden waren verbaasd toen ze dikke wolken en een zwartachtige nevel naar zich toe zagen komen. De Duitsers die gebruikmaakten van de tijdelijke verrassing, snelden uit hun loopgraven, daarbij ondersteund door het artillerievuur. De Duitsers droegen rookmaskers zodat ze door de gordel van damp konden doordringen. Maar het was natuurlijk de vraag of het alleen maar aan dat gifgas te wijten was dat de Fransen zich hadden moeten terugtrekken. We lazen ook dat de Franse troepen blijkbaar verzwakt waren wegens de strijd tussen Maas en Moezel.

Door een en ander was hun frontlijn in België, bij Bikschote en Langemark noordwestelijk van Ieper, tijdelijk enigszins ontbloot. En om nu hun nederlagen aan het zuidelijk front goed te maken hadden de Duitsers geprobeerd hier met een troepenconcentratie een doorbraak te forceren. De Fransen waren wel op hun hoede geweest maar het ontbrak hen wel aan de nodige troepensterkte. En zo hadden de Duitsers in de loop van donderdag hier aanvankelijk hun voordeel mee gehaald. Naar verluidt was de positie van de Fransen nu volkomen geconsolideerd en werd de strijd nu onder gunstige voorwaarden voortgezet met de steun van de Britse en Belgische troepen. We wisten nu dat de Belgen tussen de zee en de buurt van Bikschote stonden, dat er dan langs enkele kilometers Fransen opgesteld stonden, en daarnaast ten noorden van Ieper Canadese troepen aan het werk waren.

…. Ik (Camille Delaere) wilde me ‘s morgens klaarmaken om de mis voor te dragen in de kapel van de zwarte zusters. Maar een zelfbewuste granaat had vannacht een deel van het dak weggeblazen. De vloer van de kapel lag bezaaid met hout en steenbrokken, dit keer was de kapel helemaal buiten gebruik. Ik redde het heilig sacrament en bracht het over naar de kapel van het Nazareth-gasthuis dat gerund werd door de twee zusters Macaria en Dymphna. Ik kon er desondanks de misdienst houden. Bij mijn terugkeer zag ik rook verschijnen uit de ramen en het dak van mijn Sint-Pieterskerk. Ik dacht meteen aan een nieuwe brand en liep er snel binnen.

Een granaat had een krachtige boog van de dwarsbeuk getroffen en liet een immense stofwolk naar boven stuiven. De ontploffingen bleven elkaar in snel tempo opvolgen. Obussen vielen nu binnen vanuit twee, drie richtingen per keer, allemaal heel dicht bij de kerk. Een dienstknecht van het Nazareth kwam toe hollen met de boodschap dat een of twee zusters een kogel of shrapnel in de dij hadden gekregen. Het bleek gelukkig maar om één non te gaan. We dienden de eerste zorgen toe aan de arme zuster en ondertussen kwamen de buren me alarmeren dat er aan de overkant van de straat ook al een inslag geweest was. Eveline Behaeghel van Wijtschate zwom in haar eigen bloed. Jules Dewaele werd gedood, zijn oudste zoon Auguste en Henri Carlier lagen er ernstig gewond bij.

Mijn helper, mijnheer Melle toonde nog maar eens hoe trouw en moedig hij was. Hij spurtte naar de hulppost van de augustijnen en dook na een tijdje op met een ambulancevoertuig die hij niet zonder grote moeite had kunnen optrommelen. Die avond aten we onder het geluid van granatenmuziek, samen aan tafel tot we een oproep kregen om naar het Weduwenhof te gaan. Ik haastte me er meteen naartoe. Pauline Bendel was veranderd in een bloederig kadaver, de weduwe Buseyne-Livroe zou het niet lang meer trekken. De oude vrouwen van het weduwschap waren door de paniek aangegrepen, hun armetierige minihuisjes beschermden hen allerminst. Ik ging op zoek naar een plek waar het toch wat veiliger zou zijn en vond die in de kelder van de Ierse Dames. Daar zouden ze tenminste beter beschut zijn tegen de gewone inval van de obussen.

We begonnen meteen aan de verhuis. ‘s Namiddags stond er een ziekenbezoek op mijn programma. Ik moest de laatste sacramenten toedienen aan Achille Pinceel. Ik hield de heilige hostie in de kelk van het heilig sacrament veilig verborgen onder mijn jas, dicht bij mijn hart. Net toen ik voorbijkwam tegenover de Klaverstraat ontplofte een shrapnel op amper enkele meter van me verwijderd tegen de voorgevel van het huis Coene. Mijn persoon verdween direct onder een stofwolk vanjewelste. Ik bekeek mijn kledij die grijs en wit besneeuwd lag en hoorde de kogels om me heen kletteren. Tijd om stil te staan, maakte ik niet, ik zette mijn weg biddend verder tot bij de stervende Pinceel. Vreemde toestanden daar. Op het moment dat ik mijn overjas opende om het Heilig Sacrament uit te pakken viel een granaat neer voor mijn voeten maar die kwam niet tot ontploffing.

De echtgenote van de zieke en zuster Livina van de zwarte zusters stonden paf en dankten God dat hij hen met een heus mirakel had gered. Maar toch bleven de projectielen maar neervallen; in het gasthuis van het Nazareth en in de kleuterschool van de Dhondtstraat. Een jonge man, Daniël Vandamme, een Ieperling werd ernstig geraakt. Het bombardement was nu al zeven dag ononderbroken aan de gang en bleef maar voortduren. De nacht die volgde bracht daar geen verandering aan toe, Ieper kreeg nog maar eens af te rekenen met enorme hoeveelheden inslagen, maar toch hadden de Duitsers het vannacht extra gemunt op het Sint-Pieterskwartier. Het Nazareth werd nogmaals getrakteerd op drie obussen en rond onze kerk was nu omsingeld door een twaalftal obuskraters.

Dit zijn fragmenten uit Boek 1915 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1915
banner