banner
jan 15, 2026
34 Views
Reacties uitgeschakeld voor Rampzalige tijden

Rampzalige tijden

Written by
banner

De Franse legers zorgden voor dreiging in de Nederlanden. Naast dat gevaar van buitenaf zag de stad zich nog genoodzaakt om zich te verdedigen tegen de hongersnood die al jaren als een zwaard van Damocles boven de stad hing. Om voor wat verlichting te zorgen bij de inwoners kochten de schepenen aanvankelijk graan in Rijsel en Bapaume en verkochten dat door met verlies. In de lente van 1557 gaven ze een extra premie van 8 sous per razier graan dat de mensen van het platteland naar de graanmarkt brachten.

Enige tijd later kondigde een man uit Antwerpen aan – hij was dag en nacht naar Ieper gestapt – dat er een vloot met graan toegekomen was uit het oosten. De stad betaalde hem 12 ponden voor dat goede nieuws. In de junimaand begaf een Ieperse schepen zich met een boodschapper naar Nieuwpoort, Brugge, Zeeland en Holland om er het onontbeerlijk graan te gaan aankopen dat hier zo gemist werd door de inwoners.

Hij kon er op de kop tikken in Amsterdam en ondanks het ongeduld waarmee men het graan verwachtte in Ieper, moest hij nog hemel en aarde bewegen bij de schepenen in Nieuwpoort dat ze de lading niet zouden onderscheppen bij hun doortocht in hun haven.

Het resultaat van de schaarste was al goed merkbaar met Pinksteren. De tarwe werd al verhandeld aan 26 pond per razier en dat zorgde voor de nodige onrust. De mensen protesteerden bij de heren van het stadsbestuur en eisten dat ze andere manieren zochten om aan graan te komen. De baljuw van de kasselrij ondernam een reeks inspectiebezoeken en aarzelde niet om tarwe van andere bronnen aan te boren, iets wat dan op zijn beurt niet in goede aarde viel bij de boeren van de eigen streek. Om de pil voor iedereen enigszins te vergulden, werd nu dagelijks een graanmarkt gehouden in Ieper.

De zaterdag na Sinksen – 12 juni 1557 – liet het stadsbestuur weten dat er in Nieuwpoort een verse lading tarwe gearriveerd was. De prijs ervan viel mee. Een flinke 20 pond per razier en men liet ons weten dat het graan de volgende woensdag in Ieper zou toekomen en beschikbaar zou zijn tegen de vermelde prijs van 20 pond. Het verschil zou bijgepast worden door de stad. Dat geld moest natuurlijk ergens vandaan komen.

Een extra hallegebod maakte duidelijk van waar. Wie graan kwam verkopen op de markt zou 10 stuivers per razier moeten afdragen om de mensen van de stad enigszins te paaien. De graanhandelaars – de ‘korenbyters’ – waren kop van jut bij het gewone volk. Vooral Malin De Groote kreeg de zwartepiet toegeschoven. Men zwoer dure eden om de woekeraar te doden want hij zou wel de schuldige zijn waarom het graan zo duur geworden was.

Er meerde op 19 juni een schip aan bij de Leet met een lading van vierhonderd zakken graan. De prijs van 16 pond was iets minder hoog dan een week geleden en de inwoners haastten zich ernaartoe. De tarwe werd bijna uitgevochten. Zeker vijfhonderd mensen moesten onverrichter zake en zonder graan naar huis teruggestuurd worden. Op de markt lagen er zeker tweehonderd razieren beschikbaar, tegen een woekerprijs van 28 pond.

De prijs van de bonen en de zomergerst was al opgelopen tot 12 pond. De arme mensen sakkerden en weenden. Dergelijke dure tijden hadden ze nog nooit meegemaakt. Ze moesten hun magen noodgedwongen stillen met gerst, bonen en erwten. De mensen stierven van hongersnood, hetgeen te voren nog nooit gehoord was. Die van Duinkerke waren er met twee vissersboten op uit getrokken om hun netten uit te werpen op zee en ze kwamen hierbij in aanvaring met een Frans oorlogsschip en zijn bemanning die meende dat ze de Vlamingen konden enteren en beroven. Maar deze zeelieden kwamen bedrogen uit.

De Duinkerkenaars hadden het schip zelf buitgemaakt en naar Duinkerke gesleept. Korte tijd later speelde zich een gelijkaardig scenario af, dit keer met drie schepen. Terwijl ze naarstig bezig waren met vissen. De drie schepen bleken volgepropt met koren en andere goederen die de Fransen eerder gestolen hadden van Vlaamse boeren. Ook de Engelsen lonkten naar eventuele Franse buit want tussen hen beiden was er sprake van een oorlog op zee.

Op 24 juli kostten de tarwe en de zomergerst in Ieper al respectievelijk 32 en 16 pond. De prijs was op twee jaar tijd maal vier gegaan. In Poperinge was er al sprake van 36 pond. De inwoners van Brugge en Nieuwpoort ondervonden hetzelfde fenomeen van de schaarste en de torenhoge prijzen. Ze konden geen koren meer krijgen voor geld en moesten brood bakken van alternatieve granen.

In Hondschote was er in datzelfde jaar 1557 sprake van een korenprijs van 74 schellingen per razier. Op 5 juli 1557 kwam de prins naar onze streken afgezakt. Hij had goud en zilver bij zich die hij in Brugge tot munten liet slaan. De soldaten moesten dringend betaald worden want ze hadden al een hele tijd geen geld meer gezien voor hun krijgsprestaties. In augustus kwam er eindelijk beter nieuws. De oogst was rijkelijk geweest van koren en van de andere granen en de duurte begon sterk te verminderen.

Het jaar 1557 was rampzalig geweest en in 1558 zou het er niet op verbeteren. De Fransen die aanvankelijk ontgoocheld waren over hun nederlaag in Saint-Quentin hernamen hun offensief in de lente van 1558. Er moest gedacht worden om de stad Ieper te versterken want die was extreem blootgesteld. En om de ramp nog te vervolledigen, brak er weer een betreurenswaardige epidemie uit die nog maar eens een groot deel inwoners in de dood zou sturen.

Om op te boksen tegen de gesel van de pest kwamen meester-chirurgijnen Jacques van der Burch en Pieter Heindricx in actie met aderlatingen. En dan was er gelukkig nog het talent van hun collega’s François Martin en Pieter Reubrecht die ook door het stadsbestuur en tegen betaling werden aangesteld om de zieken te helpen. En dan waren er nog de moedige stedelingen zoals Jan Provengier die zonder ophouden zijn best deed om geïnfecteerde personen bij te staan, zoals bijvoorbeeld de echtgenote van Jan Ellebode.

De man waakte bij hun bed en stond de zieken bij in het lazaret – het ‘huzekin’ – dat opgetrokken was op het dodenveld – de Sterfbilc – buiten de Boezingepoort. En niet te vergeten de toewijding van de zwarte zusters die zich dit keer niet inhielden om tot bij de zieken te komen. Ze trokken overal naartoe, bezochten de arme lieden om hun huisjes wat gezonder te maken en hun beste zorgen te verlenen.

Ook nog op te merken was zeker de doodgraver Jean van Frenecourt die – gekleed in een rood kleed – er niet mee ophield om tijdens de periode van de epidemie de aangetaste personen naar de Sterfbilc te begeleiden en hen een begrafenis te bezorgen. De magistraten spaarden hun zilver niet om al deze diensten te vergoeden. Vooral de zwarte zusters werden in de bloemetjes gezet.

Ze werden vergast op de erewijn, alle zusters die bij de armen verbleven, kregen onderhoudsgeld toegewezen en hun klooster kreeg een toelage van 48 pond omwille van de goede en langdurige zorgen die de zwarte zusters verleend hadden. Er werd nog eens extra 24 pond voorzien voor nieuwe habijten voor de zusters Mykcken sHeeren en Antonine Stoets die zich onderscheiden hadden. En als de ziekte uiteindelijk bedwongen was, kwamen de raadsleden en schepenen naar het klooster van de zwarte zusters om – op kosten van de stad – een middagmaal te verorberen.

Dit is een fragment uit Boek 1529-1599 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1529-1599
banner