banner
jun 8, 2025
194 Views
Reacties uitgeschakeld voor Beeldenstorm in Sint-Maartens

Beeldenstorm in Sint-Maartens

Written by
banner

Maandag 15 augustus 1566. Het magistraat ontving uiteindelijk een schrijven van de graaf van Egmont die toestond dat ze de preken zouden tolereren in afwachting van nieuwe orders. De impact van dit bericht was immens toen men de ontstellende toename van het aantal Ieperlingen zag die deze sermoenen wilden gaan bijwonen. Als veiligheidsmaatregelen sloten ze de stadspoorten om de heretiekers te verplichten om hun preken op zijn minst buiten de stadsmuren te houden dewelke doorgingen op de ‘Sint-Clarenbilk’ en op het Magdalenakerkhof.

Het merendeel van de toehoorders van deze preken ging er gewapend naartoe. Later zou graaf Egmont het verwijt krijgen dat hij dit had toegelaten. Onterecht want dat was al een privilege vanuit de tijd van Gwijde van Dampierre uit 1276 dat de poorters die uit de stad vertrokken hun zwaarden mochten omgorden.

De schepenen die gealarmeerd waren door de grootschaligheid van de preken en de demonstraties smeekten aan gouvernante Margareta om hen een garnizoen toe te sturen. Ze vroegen trouwens de permissie om zelf een vrijwilligerskorps op te richten, op kosten van de stad om zich op zijn minst te kunnen verdedigen. Ze kregen als antwoord dat dit enkel het volk zou ophitsen en dat de mensen nu al zenuwachtig genoeg rondliepen. Maar uiteindelijk kreeg het stadsbestuur dan toch de toelating om op zijn minst twaalf hellebaardiers aan te werven.

Dat zou voldoende moeten zijn om Ieper-stad te beschermen. De calvinisten van hun kant wonnen wel elke dag wat aan macht. Bij hun terugkeer van de preken stapten ze psalmen zingend door de Ieperse straten. De gemoederen waren op een bepaald moment zo verhit dat de bisschop het zelfs nodig vond om de processie van Onze-Lieve-Vrouw van Thuyne uit te stellen.

De verwoestingen en baldadigheden zouden nu niet lang meer op zich laten wachten en zoals gevreesd was de revolutionaire geest onder de mensen heel erg actief. Na een preek aan de Sint-Clara bilk keerden de calvinisten terug naar Brielen en Sint-Jan waar ze de beelden van deze kerken verbrijzelden. En van daar gingen ze naar de kloosters die zich buiten de stad bevonden waar zich gelijkaardige taferelen afspeelden. De calvinisten in het centrum van de stad hadden het nieuws van de ongeregeldheden daarbuiten vernomen.

Ze zochten elkaar op en gingen nu samen naar Sint-Maartens om er enkele beelden te breken, iets wat gebeurde terwijl de magistraten aan de stadspoorten stonden om zich te verdedigen tegen de calvinisten van buitenaf. Enkele Ieperlingen waren het bisschoppelijk paleis binnengeglipt en staken er in het midden van de buitentuin een stapel papieren in brand. Een daad die de volgende morgen bestraft werd toen de schepenen enkele van de belangrijkste schuldigen bij de lurven vatten en op de Grote Markt terechtstelden.

Aan de poorten van de stad verzamelden zich dan al een hoop heretiekers, aangevuurd door Anthonis Algoet en een zekere Jacques. De schepenen die zagen dat ze de stad niet lang meer konden houden, gaven het advies aan de bisschop om zich terug te trekken. De boodschap was duidelijk: dat hij zou verliezen, was een certitude en zijn toewijding was nu nutteloos. Aanvankelijk weigerde Rythovius daar aan toe te geven onder het voorwendsel dat hij bij zijn schapen wilde blijven maar uiteindelijk kon hij niet langer weerstand bieden aan deze huilende stad kon hij zich niet langer blootstellen aan de kolkende massa en trok hij zich terug.

Rythovius was amper verdwenen of een ongedisciplineerde bende, bewapend met ijzeren staven, touwen en ladders de stad benaderde. Een apostaat monnik, een zekere Wynckius bood zich aan bij de Boezingepoort en vroeg om binnen te treden in Ieper-stad, om beelden te vernielen zei hij. Het magistraat wilde tijd winnen en bezwoer hem om de stad in vrede te laten. Volgens Wynckius was het enkel een kwestie van tijd dat een stortvloed van volk de stad zouden overspoelen.

Terwijl al die discussies aan de gang waren, probeerden de poorters allerhande kostbare voorwerpen uit de kerken te halen en te verstoppen tegen de vernielzucht van de beeldenstormers. Uiteindelijk slaagden de heretiekers er in om met de hulp van hun vrienden binnenin om de stadspoorten open te breken, en dat ondanks een heldhaftig verzet van de schepenen. Het klooster van de dominicanen bleek voor de geuzen een goedgekende plek. Hun aanvoerder Anthonis Algoet was er monnik geweest. De vernieling van dit gebouw nam diverse uren in beslag.

En van daar verhuisde de bende nu naar de kerken, als een sneeuwbal die aangroeide bij een lawine wanneer die van de berg afrolde. De beeldenstormers kregen het gezelschap van een bende nieuwsgierigen die zich bij hen aansloten om zich te verheugen in het triest spektakel van de verwoesting van hun kerken. Toen ze arriveerden bij de kathedraal van Sint-Maarten werden de beelden en de schilderijen vernield.

Allerhande ladders werden tegen de muren geplaatst. Touwen werden aan de beelden geknoopt die op geen tijd neerploften op de vloeren van ons historisch gebouw. De heiligentaferelen werden met bijlen en hakmessen doorkliefd terwijl de heilige vazen al evenmin aan hun vernielzucht ontsnapten. Volgens een oude kroniek was er één van die beeldenstormers die voor een kruisbeeld riep aan Christus dat hij – vermits hij toch Christus was – maar ‘leve de geuzen’ moest roepen en dat ze hem dan met rust zouden laten.

Ze werkten hun ravage af met de vernieling van de boeken van de bibliotheek van het bisdom waarbij ze oude manuscripten met de voeten traden zodat hier een stuk oude Ieperse geschiedenis reddeloos verloren ging. Ook diverse schilderijen van de Vlaamse school moesten er aan geloven. Wanneer ze uiteindelijk geen brandstof meer vonden om hun woede mee te koelen en ze er van overtuigd waren dat ze hun missie afgewerkt hadden vertrokken ze nu uit Ieper, het toneel van hun eerste verwoestingen.

Ze gingen nu op zoek naar andere slachtoffers. Daags na hun verwoestingsronde lag de binnenzijde van de kathedraal tot een hoogte van zowat 30 centimeter bezaaid met brokstukken. Deze uitspattingen zouden zich ook in de andere steden herhalen, maar Ieper werd hoe dan ook het eerste slachtoffer van de beeldenstormers die in de loop van de volgende dagen zeker driehonderd kapellen en kerken in Vlaanderen zouden vernielen . Het was die eerste beeldenstorm die onze voorouders de naam van ‘eerste braak’ zouden geven.

Enkele historici spaarden achteraf hun kritiek niet op de Ieperse magistraten tijdens de storm. Maar zonder militaire kracht, hoe werd het verondersteld dat ze dat geweld van zo’n massa volk hadden kunnen tegenhouden? Van zodra het onweer weg was, haastte de bisschop zich om terug te keren. Zijn consternatie was groot. Hij vroeg zich vertwijfeld af hoe er in deze eeuw nog zoveel barbaarse handen geweest waren om al die meesterwerken van de literatuur en de schone kunsten te vernielen.

Dit is een fragment uit Boek 1529-1599 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1529-1599
banner