Het jaar 1307. Alleen in de rechtspraak hadden de tempeliers nog enige macht behouden in Ieper. Maar dan enkel met de inspraak van het stadsbestuur. De hold-up van de rijke en machtige schepenen op hun tempelgebied werd vooral ingegeven door economische drijfveren. De voorgeborchten en vooral de regio rond de havenplaats Brielen aan de Iepere werden bewoond door wevers, looiers en ververs die met hun werkkracht de Ieperse textielnijverheid tot ongekende internationale hoogtes tilden.
De adel en de rijke middenstand bepaalden de agenda en de arbeiders uit de buitengebieden moesten dansen naar hun pijpen. Deze toestand zorgde voor de nodige sociale onrust. Het was een situatie die zich niet enkel en alleen voordeed in Ieper. Ook in Brugge en Douai heerste grote onvrede en liepen de spanningen tussen het werkvolk en de rijke Franstalige burgerij hoog op.
In 1280 – tijdens de Kokerulle – waren de potjes overgelopen bij de Brielense lakenwevers. Uit de getroffen sancties tegen de opstandige wevers bleek hoe sterk de nijverheidsontwikkeling van het tempeliersgebied geworden was rond die tijd. De inwoners werden verplicht een boete van maar liefst 2.400 Vlaamse ponden te betalen wat amper zes maand later al gebeurd was en vermeld stond in de kwitantie van graaf Gwijde van Dampierre op 11 oktober 1281.
Een nieuw meningsverschil tussen de tempeliers en de schepenen van de stad leper deed zich voor in 1289. Opnieuw vormde het een ernstige bedreiging voor de fiscale vrijstellingen en voorrechten van de tempeliers en de bewoners in het Tempelland. Er werd namelijk een belasting ingesteld op de verkoop van wijn. Zich baserend op de overeenkomst van 1225 dachten de schepenen dat ze deze nieuwe belasting ook konden toepassen in het tempelgebied.
De tempeliers beriepen zich echter op hetzelfde verdrag om de toepasbaarheid van de wijnbelasting af te wijzen. De schepenen speelden daarbij nog een andere gevoelige troef uit door er de nadruk op te leggen dat de mensen zich in de herbergen op tempeliersgebied schuldig maakten aan ondermijnende activiteiten – ‘funestes a la ville comme à la terre du Temple’. Het was er de schepenen van leper in eerste instantie alleen maar om te doen een eind te maken aan een discriminerende toestand die tot de ondergang van de herbergen in de stad zelf zou leiden.
De tempeliers stonden er op dat hun rechtspraak gerespecteerd zou worden. Dat recht waaraan de schepenen bij hun eerste bezoek aan de tempel trouw hadden beloofd, omvatte de volkomen fiscale vrijstelling. In maart 1289 werd dit conflict tussen de schepenen van leper en Godfried van Vichiers – de baas van de tempeliers in de provincies Frankrijk en Engeland – geregeld.
De bewoners van het tempelgebied mochten niet langer wijn in het klein verkopen maar enkel per vat. De stad Ieper bood hun hiervoor een schadevergoeding van onder andere 3.000 Parijse ponden. Ook de watertoevoer werd nu – na decennia getouwtrek – ter compensatie uitgebreid. De stad was er nog maar net in geslaagd de capaciteit van de watervoorziening op te voeren door Dikkebusvijver te laten aansluiten op de stadsvesten. De tempelridders kregen nu een extra leiding naar hun eigendommen binnen de stad – Nieustrate – en vier extra leidingen naar het tempelgebieden buiten de stad.
28 mei 1291 was een niet onbelangrijke datum geweest voor de orde van de tempeliers. Er kwam een einde aan de kruistochten naar het heilig land. Een kleine tweehonderd jaar geleden – in 1099 – viel de stad Jeruzalem in de handen van het Westen. Een heerschappij die duurde tot in 1187, tot ze – dankzij het gebrek aan medewerking van de tempeliers die uit geldbejag weigeren om de westelijke legers te ondersteunen – verdreven werden door de Islamitische legers van Saladin.
De val van Jeruzalem in 1187 had een schokgolf veroorzaakt doorheen Europa. Uit schuldgevoel hadden de tempeliers deelgenomen aan een nieuwe poging tot herovering die echter uitdraaide op een eerste grote nederlaag voor de orde. Velen vonden er de dood. Hun reputatie dat ze vochten onder de bescherming van god lag voorgoed aan diggelen. Bij een derde kruistocht werd het noorden van – het huidige – Israël heroverd.
Omdat de kruisvaarders niet in staat waren Jeruzalem opnieuw te veroveren, promoveerden ze de havenstad en de voornaamste zeehaven Akko tot hun nieuwe hoofdstad. Akko werd nu dé pleisterplaats van de westerlingen om op bezoek te gaan, te vechten en te bidden in het heilig land. In het jaar 1291 kreeg sultan El Ashraf Akko in handen. De val van deze stad betekende het einde van het 200-jarig kruisvaarderrijk in Palestina en leidde de zwanenzang in voor de tempeliers.
Waar ze aanvankelijk als bankier voor de adel en koningen in het Westen konden functioneren, waren ze geleidelijk aan voer voor heftige maatschappelijke discussie geworden. Ondertussen was Filips de Schone verzeild in een oorlog met Engeland en met Vlaanderen. Om aan geld te komen nam Filips IV in 1291 de bezittingen van Italiaanse bankiers in Frankrijk in beslag en hij leende spectaculaire bedragen bij de tempeliers, méér dan hij ooit zou kunnen terugbetalen.
Grootmeester Guillaume de Beaujeu, de neef van Margareta van Constantinopel was gesneuveld in 1291 te Akko. De nieuwe grootmeester werd Jacques de Molay en koesterde nog altijd megalomane plannen om een nieuwe en grootschalige kruistocht op het getouw te zetten.
Maar de paus en het westen hadden de idee opgevat om de tempeliers te laten fuseren met de hospitaalorde. Een deel van de Vlaamse tempeliers had zich tijdens de Guldensporenslag van 1302 tegen Frankrijk gekeerd en dat zou de Franse koning natuurlijk niet vergeten. Filips de Schone bleef verbitterd om de steun van de Vlaamse tempeliers en startte een hevige lastercampagne tegen de orde van de tempel.
Olie op het vuur van de Ieperse burgerij die een bittere haat koesterde tegenover de tempeliers. Filips de Schone schoof op 26 maart 1307 de schuld van een reeks schanddaden en heiligschennis in de schoenen van de tempeliers. Alles had natuurlijk te maken met de tegoeden die Filips nog aan de orde moest en niet kon terugbetalen. Paus Clemens liet in juni 1306 de grootmeesters van de hospitaalorde en van de tempelorde bij zich roepen in zijn verblijfplaats te Poitiers. Grootmeester Jacques de Molay meldde zich pas een jaar later, op 21 mei 1307 en duidelijk met grote tegenzin aan.
Hij zag een samensmelting met een andere orde helemaal niet zitten. De koning van Frankrijk was al sinds 1304 een lastercampagne gestart met als opzet om de orde in diskrediet te brengen en de organisatie onder druk te zetten. Hij verweet de tempeliers dat ze zich inlieten met ketterij, afgoderij en sodomie. Filips stuurde zijn kat naar Poitiers en liet zich vervangen door twee raadsheren.
Het feit dat Filips de Schone al sinds zijn overwinning op de Vlamingen in 1304 gestart was met een lastercampagne tegenover de tempeliers, was niet onbelangrijk om het getuigenis van een Ieperse tempelier volledig te begrijpen. Het was de vraag of het gedetailleerde verhaal van Lieven Wemaere dat zich in 1307 te Ieper afspeelde, waarheid of fictie was? Betekende de moord op de Ieperse tempeliers de Franse weerwraak voor de deelname van de orde aan de Guldensporenslag vijf jaar eerder? Was de aanslag op de tempeliers een samenzwering tussen de Fransen en de Franstalige Ieperse burgerij?
Dit is een fragment uit Boek 1290-1380 van De Grote Kroniek van Ieper


