Herfst 1795. De ingezetenen beklaagden zich er grotendeels over dat de soldaten zo stoutmoedig waren om langs de wegen of straten de waren af te kopen die sommige landlieden naar de stad brachten om te verkopen. Om dergelijke praktijken tegen te gaan, stelde de municipaliteit Dragonders in de straten om het afkopen te beletten en om de boerinnen te dwingen om naar de markt te gaan. Dat was een reden om hen helemaal te doen thuisblijven, want op de markt werden ze gedwongen om assignaten te ontvangen.
De municipaliteit had daarover klachten ontvangen en gaf een plakkaat uit waarbij ze toestonden dat de burgers zich naar de buitenparochies mochten begeven om hun benodigdheden te kopen, elk voor zijn huisgezin. Te dien einde werd aan de burgers een biljet verleend om elk met zijn kennissen op het platteland hun noodzakelijkheden te gaan kopen. En diegene die verdacht werden om daar handel in te drijven of te verkopen kregen dit biljet niet.
Dat gebruik duurde niet lang want de officieren van de municipaliteit konden niet beter bediend worden dan de gemene burgers. Ondertussen werd de schaarste aan levensmiddelen van dag tot dag allengskens groter, in het bijzonder in het koren. Want de boeren hielden het koren achter slot en grendel en diegenen die nog enkele hoeveelheden hadden om te verkopen, vroegen een prijs van 44 à 45 pond per zak Ieperse maat, wel verstaande dat elke pond 10 stuivers Vlaams geld was.
En hoewel de prijs zeer hoog was, zegden de fraaie boeren dat ze hun eigen menage tekort deden als ze hun koren aan de stad leverden. Men bracht geen koren meer naar de markt om door de kleine gemeente te worden afgenomen. Wie zelf naar de boer ging, kreeg een zak voor zijn huisgezin, tenminste als ze bevriend waren met deze burgers.
Maar de boer wilde het niet naar de stad brengen uit vrees van het afgenomen te worden, zoals gezegd. Hij leverde dat koren aan een molenaar die als het gemalen was het dan zelf leverde in de stad aan diegene die het eerder bij de boer had gekocht. Maar de molenaars die van alle tijden de naam hadden van eerlijke lieden te zijn en instonden voor het leveren van het meel, lieten hun zin voor rechtvaardigheid in deze tijdsomstandigheden openlijk blijken. Want ze kochten al de paardenbonen die ze konden bekomen en vermaalden die tot meel.
Ze namen het schoonste meel dat bestemd was voor de burgers en vulden hun zakken met bonenmeel. Het zuiver meel dat ze achterhielden, zowel van de gemeenten als van de bakkers verkochten ze aan de rijke lieden aan een hogere prijs, zodat men niet rechtzinnig over de molenaars kon spreken en dat het ten allen tijde eerlijke lieden geweest waren maar zich daar in deze tijdsomstandigheden nu toch wel voor hadden voor uitgeschreven.
Want door hun bedrog waren ze allemaal rijke families geworden. Ondertussen groeide de hongersnood onder de kleine gemeente verder aan. Sommige die op den buiten woonden en kennis hadden van het bakken, begonnen nu zelf brood te bakken, tot het gerief van het gemeente, gebruikmakend van bonenmeel i.p.v. tarwemeel die ze aan een redelijke prijs verkochten volgens de gesteldheid van de tijd. Maar dat kon ook niet blijven duren. Maire Vandaele scheen toch over enige menslievendheid te beschikken en deed een voorstel dat men de rijke lieden een som geld zou vragen om daarmee koren uit vreemde landen te doen afkomen. En er waren inderdaad twee schepen met koren aan de Kaai toegekomen. Van waar die kwamen, was mij onbekend.
Dit koren werd opgeslagen in de lakenhalle, op de loge waar men gewoon was de zondagse lering te geven aan de kleine jonkheid van de knechten, in lezen, schrijven en de catechismus. Die school werd dan verplaatst naar de kerk van de paters predikheren en later naar het gasthuis op de Grote Markt tot de tijd dat de school weer op zijn gebruikelijke plaats kon gehouden worden. Met het beschikbare koren in de lakenhalle kon men natuurlijk wel voorzien dat het niet lang zou duren voor deze voorraad – zonder verdere maatregelen – uitgeput zou raken.
De Ieperse maire, dokter Vandaele die een hooggeleerd man was, bleek ook zeer voorzienig te zijn geweest, de tweede in de universiteit van Leuven en een prins van de poëten in de gilde van Sinte-Anna. Hij richtte nu een kleine rechtbank op voor de verdeling van dat koren, tot het gerief van het kleine gemeente.
Deze rechtbank bestond uit drie personen; Vandaele als maire, adjunct Delmotte en toeziener Petillion. Na de aanstelling van dit bestuur werd besloten om een requisitie in te stellen van boter, maar ook van koren. Waarbij ze in hun loffelijke bediening er wel aan dachten om zichzelf, hun familie en goede kennissen voor te zegenen. Om deze schikkingen te bewerkstelligen, werden de wijkmeesters belast van elk op zijn wijk om te roepen dat diegenen die boter of koren nodig hadden daartoe een bepaalde dag zouden mogen komen afhalen.
Alle wijken kregen een letter toegewezen, beginnen met A,B,C en dan verder tot de laatste letter, elk op zijn beurt. Men gaf aan eenieder volgens de toestand van zijn huishouden een spint van twee pond boter. Deze levensmiddelen mochten betaald worden in assignaten, tot 6 stuivers de kroon, hetgeen zeer redelijk was en waardoor het klein gemeente veel voordeel bij had.
Want ze kochten onder elkaar de assignaten voor de helft, en sommige voor een vierde van de waarde. De boeren die zoals gezegd belast waren om wekelijks koren naar de markt te brengen, brachten tarwe of rogge die door elkaar vermengd werden hetgeen gemeen gebruik werd en die men messilioen noemde. Elke parochie van het district wist wat het moest leveren, zowel van koren, als van boter om de wekelijkse uitdeling te doen. De boeren die nu ook gewoon waren om sedert enkele jaren zo veel geld te verdienen als ze begeerden, waren niet haastig om de leveringen te doen, temeer omdat de prijs vastgesteld was en de betaling in assignaten moest gebeuren tot 6 ponden per Franse kroon.
Om de boeren te dwingen, stelde men een persoon aan die de macht had om de boeren te dwingen tot het doen van de leveringen zoals hierboven vermeld. In zover dat de boeren koppig bleven. Die persoon vermocht op zijn eigen gezag de soldaten van de krijgsmacht met zich mee te nemen om de boeren met geweld te dwingen in geval van een hardnekkige weigering. Hetgeen een zeer goede zaak was want het gemeente moest leven. Maar omdat alle officieren bijzonder kwaadaardige bedienaars waren, lieten ze het vrijgekomen graan leveren om hun eigen beurzen te vullen.
Zodat een van de bedienaars zo veel geld vergaarde dat zijn kinderen die op straat speelden, vertelden dat ze in hun huis een grote mand hadden vol kroonstukken. Zodat de armen altijd maar verder verdrukt werden omdat de rijken alles met geld afkochten ten koste van het gemeente.
Het beste koren en de beste boter werden uitgedeeld aan de municipale heren of zogenaamde citoyens. En zoals het gebruikelijk ging dat de ene dief de andere betrapte, zo was het comité van waakzaamheid aangeklaagd dat het de boter en het koren tijdens de nacht vervoerd werden. Iets wat effectief waar was, waarop het comité opdracht gaf om daar op te letten. Joseph Beharelle werd door Petillion betrapt dat hij koren en boter leverde aan de schutters van Sint-Sebastiaan.
Joseph Beharelle die een slimme vos was, wilde dat niet laten liggen maar loerde op het comité van de boter en betrapte een bediende met name Ramoen, een stadspijpenreiniger die enkele stukken boter wegsleepte. Toen de betrapte man gevraagd werd waarheen hij daarmee naartoe ging, vertelde hij dat hij dit deed in opdracht van burger Petillion. Toen die daarop gepolst werd, beweerde hij dat deze beschuldiging vals was en dat hij van niets wist. Men liet Ramoen voor enige tijd in het huis van correctie steken, bijgenaamd het rasphuis. Waarmee deze kwestie in de vergetelheid was geraakt. Ondertussen werden koren en boter wekelijks verkocht aan de gemeenten, elk op zijn wijk zoals al vermeld was.
Dit is een fragment uit Boek 1785-1829 van De Grote Kroniek van Ieper


