Maandag 3 mei 1915. Van tijd tot tijd geschiedde er toch een grappig voorval dat een kleine straal zonlicht in ons droevig bestaan bracht. Op aangeven van onze pastoor hadden we een klein oud vrouwtje ontdekt op de binnenkoer van een half ingestorte woning. Ze had al twee dagen niet meer gegeten en kon nog amper stappen. Juffrouw Cloostermans en twee gendarmen vergezelden me en ik zette me aan het werk om de stapel puin en bakstenen die de weg naar haar blokkeerden op te ruimen zodat de ambulance ter plekke zou kunnen komen. Juffrouw Fyfe, een Schotse dame die zich al sinds het begin van de oorlog met al haar toewijding gestort had op de verzorging van oorlogsslachtoffers had me die ziekenwagen toegezonden.
Een goedhartige Canadees die me bezig zag kroop uit zijn schuilplaats en bood me hulp aan. Hij floot op zijn vingers en twee seconden later stond er al een tweede Canadese helper bij ons. Samen zouden ze het niet moeilijk hebben om de oude dame te dragen. Maar die wilde daar niet van horen en sloeg aan het huilen. Op mijn vraag wat er scheelde antwoordde ze dat ze nog van heel leven geen arm gegeven had aan een man en dat ze helemaal niet van plan was om die nu te geven aan een soldaat. Het vrouwtje hield voet bij stuk zodat ik moest zwichten met mijn voornemen. Ik deed teken aan de soldaten en moest de klus dan maar alleen klaren. Hoewel ze hier zo snel mogelijk weg moest want het bombardement begon weer de kop op te steken.
Toen we eindelijk bij de wagen kwamen in de Rijselstraat wilde ze nu niet instappen. Ze moest eerst voor 3 centiem tabak kopen. Ik gaf haar snel 1 frank en zegde dat ze met dat geld er zo veel ze wilde zou kunnen kopen in Poperinge. En dan liet ze zich toch pramen. Je had haar daar moeten zien zitten. Te midden enkele katten, honden en vogelkooien die juffrouw Fyfe ook al uit de nood wilde helpen. Zij en vooral toch priester Delaere en de leden van de Friends Unit waren toch de grote redders van de Ieperse bevolking. Want ze waren er op de gevaarlijkste ogenblikken wanneer de bommen rond hen gierden en het aantal vluchtende mensen op zijn hoogst was.
Met hun snelle voertuigen werkten ze veel efficiënter dan de rest. Ze brachten de vluchtelingen snel naar de Vlamertingseweg van waaruit de grote ambulancewagens die dan konden doorvoeren naar Poperinge. Die van de ‘Friends Unit’ reden vaak zes tot zeven keer op rij naar hun slachtoffers. Telkens opnieuw legden ze hun eigen levens in de weegschaal. De families Baelden en Baratto bevonden zich in de woning van eerstgenoemden in de Klaverstraat. De beproeving van de oorlog was deze keer voor hen bestemd! Beide echtgenotes werden op slag gedood. Vader Baratto kreeg twee dodelijke wonden aangesmeerd en hun enige zoon van 11 jaar liep een gebarsten schedel op. De zuster van mevrouw Baelden, een vluchtelinge uit Houthulst, brak haar been. Vader Baelden leek wel bezaaid met kleine kwetsuren, van aan zijn hoofd tot aan de voeten. Zijn zoontje van 7 jaar verloor zijn voet die gewoonweg afgerukt was onder de enkel. De drie kleinste kinderen bleven ongedeerd.
We brachten de slachtoffers over naar ons klooster. Toen we op zoek gingen naar hulp voor deze ongelukkige mensen ontvouwden zich ondertussen al andere trieste taferelen onder onze ogen. We wisten niet waar eerst kijken. Hier een man tussen de brancards, met zijn arm vastgeklemd aan een handkarretje, helemaal beladen met pak en zak, samen met vrouw en kinderen. Wat verderop lag een dode man met zijn pakje nog onder de hand, een ander pak lag weggeslingerd naast hem. Een dode soldaat lag zielloos onder zijn getroffen paard. In het Heilig Hart troffen we niemand aan, juffrouw Cloostermans holde dan maar naar café ‘Sint-Augustijn’.
Dokter Van Robaeys zette de gebroken ledematen weer op hun juiste plaats en de Friends vervoerden de gekwetsten naar Poperinge. Met uitzondering van vader en zoon Baratto, ze zouden de volgende uren allebei overlijden. De drie kleintjes zouden zich nu moeten vervoegen bij het leger weeskinderen in Wisques. De waardepapieren die we op hun lichamen aantroffen werden voor enkele dagen begraven. Vandaag, 4 mei was de ambulance nog enkele keren teruggereden om een twaalftal personen met hun schaarse bezittingen te komen opladen. Een drietal anderen moest noodgedwongen nog even in de Torhoutstraat achterblijven.
Tussen een stapel puin en bakstenen konden we ons tot bij drie bejaarde vrouwen wurmen. Ze maakten zich klaar om te vertrekken en ik liep nog snel eens naar de naburige kazematten. Zouden hier nu nog burgers leven? Ik vond er alleen nog maar soldaten en ik vroeg aan enkele van hen of ze niet even wilden helpen met het transport van de dames. We hadden nog maar net de deur achter ons dichtgeslagen met de laatste vrouw bij ons, toen een grote granaat de woning helemaal platlegde. Weer hadden we alle geluk aan onze kant om ongedeerd te blijven. God had ons nog maar een keer van nieuw onheil gered.
Dit is een fragment uit Boek 1915 van De Grote Kroniek van Ieper


