banner
okt 23, 2025
124 Views
Reacties uitgeschakeld voor Gevaarlijke tijden op komst

Gevaarlijke tijden op komst

Written by
banner

Dinsdag 2 augustus 1566. Bisschop Rythovius besefte maar al te goed dat de heresie in zijn stad al een heuse ravage had aangericht. Niets kon een beter idee van de toestand in Ieper geven dan de brief van Viglius aan Josse de Courteville, secretaris van de staatsraad.

Die 2e augustus schreef hij dat de stad van Ieper, net zoals andere steden verdronk onder het lef van zowel poorters als buitenlieden die bij de duizenden naar de sermoenen gingen luisteren, gewapend en versterkt, precies alsof ze ten oorlog trokken. Het viel te vrezen dat de massa zou binnenvallen in de kloosters en aanvallen zou plegen op geestelijken. Ze hadden vuur geroken en omdat het al veel te laat was om te onderhandelen. Want veel mensen die in armoede leefden en honger leden, hadden zich al bij de massa aangesloten – waar ze enkel noch wachtten om de eigendommen van de rijke mensen aan te vallen.

Rythovius stond niet enkel bekend als een goede priester maar ook als politiek voorzichtig en beschikkend over een verlichte geest. Gouvernante Margareta zou in dat verband nooit beslissingen nemen zonder hem daarbij te betrekken. En daarbij had hij haar vaak aangeraden de scherpste kanten van haar plakkaten af te vijlen.

Maar Rythovius mocht dan wel zijn hart en vergevingsgezindheid laten zien, als het er op aan kwam dan kon hij krachtig uit de hoek komen om zijn eigen godsdienst te verdedigen. Zo had hij ooit eens prediker Theofilus geweigerd te ontvangen, een man die zeer actief aan het lobbyen was voor de calvinisten in de buitenomgeving rond de stad. De koning had naar de diverse bisdommen van de Nederlanden brieven gestuurd met de vraag om overal seminaries op te richten. De Ieperse bisschop was daar al in 1564 op ingegaan.

Gedreven door het verlangen om zijn nut te bewijzen aan de jonge generaties, spendeerde hij verscheidene uren aan het geven van theologielessen aan zijn nieuwe instelling. Hij beschouwde dat trouwens als een deel van zijn verantwoordelijkheden. Om de discipline en de devotie bij zijn priesters te bewaren, besteedde hij zijn uiterste zorgen aan de lectuur van hun brevieren, een gebruik dat in die eeuw helemaal verwaarloosd was geraakt.

Van zodra de eerste sermoenen een feit waren, had het Ieperse magistraat zich gehaast om hulp te vragen aan de gouvernante, om de stad te verdedigen tegen de sektarissen. Vanuit Brussel kregen de Ieperse schepenen alleen maar ontwijkende antwoorden. Omdat ze er voor behoed waren dat de calvinisten zouden binnendringen in Ieper, riepen ze de diverse gilden op om resoluut de stadspoorten te sluiten en de wacht te houden. Maar deze beroepsverenigingen weigerden dat met grote hardnekkigheid zodat het magistraat zich verplicht zag om persoonlijk de wacht te verzekeren. Ze gebruikten daartoe enkele notabelen en leiders van de gilden die zich toch bij het stadsbestuur wensten aan te sluiten.

De agitatie nam epidemische vormen aan. Die schoorvoetende eerste Boescheepse hagenpreek uit 1562 was nu, na enkele jaren in de luwte toch wel uitgegroeid tot een heuse volksbeweging. Bij de gevestigde autoriteiten en de kerk groeide echter de weerstand tegen de calvinisten. Hoe lang zou het nog duren voor er gevochten zou worden? Na een nieuwe geuzenpreek in Waasten kwam Belle opnieuw aan de beurt. De preek bij het lokale Sint-Anthoniusklooster werd echter belet door de drie lokale gilden die het toestromende volk de toegang tot de stadspoorten beletten.

Achteraf kregen ze hulp van de baljuw die er zijn knechten op af stuurde. Wie hier trouwens geen werk had, werd opgetrommeld om de wacht te houden in Belle. De baljuwknechten waren met tweehonderd mannen en ze kregen voor hun prestaties elke 4 stuivers per dag. De donderdag daarna was het weer prijs. Dit keer in Kemmel waar die Anthonis Algoet op de Dries begon te prediken. Met weer bijzonder veel volk van Ieper. Er was sprake van meer dan 1.500 man en de kerstening van een kindje.

Hier bij ons gingen de stadspoorten meer en meer dicht. Er bleven er slechts vier open. Tijdens de zondagsmissen smeekten de priesters hun gelovigen om zich niet in te laten met die calvinisten, maar hun oproep leek vergeefse moeite. Met verspreidde het gerucht dat er nog diezelfde zondag sermoenen van drie andere predikanten zouden volgen. Het nieuws zorgde voor de nodige agitatie bij de poorters en voor verdere onrust bij de geestelijken en de wet.

Veel stedelingen kozen het zekere voor het onzekere en trokken met hun voornaamste eigendommen weg uit Ieper. Als decor voor hun Ieperse preken hadden de heretiekers een weide vlakbij het clarissenklooster van Sint-Jan uitgekozen. Op geen tijd trokken de geuzen er drie preekstoelen op. Ze verwachtten duidelijk heel veel volk. Sommigen voerden bier aan om te verkopen, anderen zorgden voor brood, vlees en allerhande etenswaren. De goegemeente fluisterde dat de poorten dicht zouden blijven maar dat bleek een vals gerucht.

Er werden de volgende dag vijf poorten gesloten gehouden; zijnde de Mesenpoort, de Tempelpoort, Elverdingepoort, Diksmuidepoort en de Torhoutpoort. Heel speciaal om het gevaar te verijdelen dat verwacht werd van het volk dat naar de preken zou afkomen. Alleen de Boterpoort, Antwerppoort en de Boezingepoort zouden geopend worden. De Antwerppoort stond onder het toezicht van superintendant Cornelis van Cornehuse, de hoogbaljuw van de stad en de kasselrij van Ieper, samen met die van jonker Joos Hanneron de oppervoogd van de wezen en de hoofdman van de Sint-Jansgilde.

Ze werden daarbij nog geassisteerd door raadslid Jacob Baelde. Het toezicht bij de Boterpoort was toegewezen aan jonker Jan van Lichtervelde, de heer van Beaurewaert, raadslid-hoofdman van de Sinte-Barbele gilde. Het bevel over de Boezingepoort was in handen van jonker François van Houtte, jonker Pieter de Massiet en Jan van der Camer. Ze hadden de opdracht om de poort open te houden om het volk dat op weg was naar de preken te laten binnenkomen zolang alles vreedzaam zou gebeuren en dat er geen tekenen van oproer zouden te zien zijn.

Dat had te maken met het feit dat de stad nu al vol zat met vreemd volk wegens de Thuyndagfeesten en dat men best in staat zou zijn om met bijstand van de sektarissen van zowel de binnenkant van de stad als van de buitenzijde de poort te kunnen forceren. Pas als het hoog nodig was, mochten ze de poorten sluiten.

Dit is een fragment uit Boek 1529-1599 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1529-1599
banner