banner
jun 15, 2025
224 Views
Reacties uitgeschakeld voor Groots trouwfeest in de lakenhalle

Groots trouwfeest in de lakenhalle

Written by
banner

Het jaar 1314. Met de dood van Gwijde van Dampierre – een martelaar voor zijn gegeven woord – die in maart 1304 zijn ongelukkige carrière geëindigd had in de gevangenissen van de Franse koning – was Robrecht van Bethune die lange tijd mee opgesloten zat door Filips de Schone in vrijheid gesteld en naar Vlaanderen teruggekeerd om zijn graafschap weer in bezit te komen nemen. Volgens de gebruiken van die tijd had graaf Robrecht geen vaste residentie. Hij verbleef dan ook afwisselend in zijn diverse landhuizen, en dat was dus ook het geval voor de grafelijke motte te Ieper, het latere Zaalhof.

Het gebouw was opgetrokken geweest onder Filips van de Elzas en kwam voor een eerste keer ter sprake in 1168 toen de Sint-Maartensproosdij de rechten kreeg van de kapel die bij het landhuis opgetrokken was. Het was trouwens de favoriete verblijfplaats van Robrecht. Het zou in dit grafelijk kasteel zijn dat de zoon van Gwijde van Dampierre de laatste jaren van zijn leven zou slijten en er op 17 september 1322 zou overlijden.

Achteraf zouden zijn stoffelijke resten begraven worden in het midden van het koor van de Sint-Maartenskerk. In 1311 had graaf Robrecht reeds zijn gebruikelijke thuis hier in het mottekasteel van Ieper. Zijn jongste dochter Mathilde woonde bij hem. De ‘Demiselle de Flandre’ was heel graag gezien door de Ieperlingen omwille van haar zachtmoedig karakter. Ze hadden haar vaak zien uitleven aan de oevers van de Ieperlee, zorgeloos en plezier makend. Mathilde zat er vaak te dromen, ze praatte soms in zichzelf terwijl ze met trage stappen naar de kerk van de minderbroeders wandelde die in 1268 nog tegen de muur gebouwd werd die de tuin van de grafelijke motte afscheidde van die van deze broeders.

De mensen mochten dan wel deze Mathilde graag zien, maar toch wilden ze meer. In de 14e eeuw waren huwelijken uit liefde zeldzaam, vooral dan bij de beau monde. De oude graaf besefte heel goed dat schone ogen alleen niet volstonden om een jonge edelman of een trouwlustige te vangen. Hij moest zijn dochter voorzien van een erfelijk leengoed. Haar erfgoed bestond uit een domein met kasteel of landhuis dat gelegen was in het gebied van Veurne en meer bepaald op de parochie van Elverdinge, voorzien van hoog en laag recht, inkomsten, renten en achterlenen in de parochies van Vlamertinge en Nieuwkerke. Al die eigendommen hadden toebehoord aan de heer van Spierre maar waren een tijd geleden in de handen gevallen van de graaf van Vlaanderen, ten eeuwigen titel en wettelijk toegewezen door de schepenen van de kasselrij van Ieper.

Op 4 maart 1312 had Robrecht van Bethune dit goed geschonken aan zijn zeer geliefde dochter Mathilde van Vlaanderen. Het leengebied van Elverdinge kwam nu voor eeuwig op naam van de jonge prinses en haar nakomelingen. Indien Mathilde zou sterven zonder kinderen zou het gebied echter terugkeren in de schoot van de graven van Vlaanderen. Pas in 1322 zou haar broer Lodewijk van Nevers akkoord gaan met de gift van het leengoed Elverdinge aan zijn zus Mathilde van Vlaanderen. Maar hier had Mathilde niet op gewacht om al direct bezit te nemen van haar erfgoed, ze legde al in 1312 manschap af aan de graaf haar vader, in de aanwezigheid van haar oom Jan van Namen, andere heren van de grafelijke raad en de klerken van graaf Robrecht van Bethune. En van zodra dit allemaal geregeld was, zagen we in Ieper nu regelmatig jonge ridders opduiken, of nobele baronnen en andere grote heren.

Mathilde, een schone en goede vrouw die nu goed voorzien was, haastte zich geenszins om haar keuze te maken. Maar op het einde van 1313 kreeg ze op het gravenkasteel het bezoek van Mathieu van Lotharingen, de hertog van Bar. Een nobele, briljante en schone ridder en de ‘demiselle de Flandre’ stemde er nu in toe om hem haar hart en hand te schenken. Het nieuws van het aanstaande huwelijk verspreidde zich weldra tot in het Sint-Pieterskwartier en later door de hele stad, zeg maar de immense buitengebieden van Ieper.

Het nieuws zorgde voor vreugde bij de inwoners die hun oude graaf graag zagen. Hij was hier nu eenmaal bijzonder populair en dat was ook het geval voor zijn dochter Mathilde. Van zodra het goede nieuws officieel aangekondigd werd – zo rond kerstdag 1313 – aan de schepenen en de wet van Ieper, wilden ze al direct een geschenk overhandigen in naam van de hele bevolking. Het betrof een vat wijn dat 11,5 gouden denieren gekost had en gekocht werd bij Jakeme Trouvé. En, tenslotte, enkele dagen voor de huwelijksfeesten, op de zaterdag na Passiezondag zouden de schepenen haar nog een extra vat toesturen.

De Ieperse schepenen beperkten zich echter niet tot het toesturen van geschenken. Om graaf Robrecht hun affectie te betuigen, vroegen ze hem de toelating en de gunst om de bruiloft van de prinses op kosten van de stad in de lakenhalle te mogen vieren. Een toelating die ze verkregen. Het feest mocht doorgaan in de schepenkamer waar ze hun reguliere zittingen hielden. Aan het begin van de 14e eeuw waren er in Ieper geen feesten zonder dat daarbij geen banket mee gepaard ging.

Het schepencollege bood dan ook een diner aan ter gelegenheid van de bruiloft van Mathilde. In die tijd was het gebruikelijk dat dergelijke familiefeesten gepaard gingen met grote plechtigheden en met de overhandiging van aanzienlijke giften. De rijke burgerij greep dergelijke festiviteiten vaak aan om daarmee aan macht en invloed te winnen en met verloop van tijd zou het zelfs nodig worden om dat gebruik via een keure toch wat aan banden te leggen om misbruik te voorkomen. Maar in 1314 was daar nog geen sprake van.

De schepenen volgden de gebruiken van hun tijd en zo zou de bruiloft van Mathilde uitgroeien tot een heus societygebeuren. Het zou niet lang duren voor heel Ieper in actie kwam. De lakenhalle en de schepenkamer waren gevuld met arbeiders die alles schoonmaakten. Timmerlieden sloegen tafels op voor het banket. Een deel sjouwers die normaal goederen losten aan de Leet brachten sparrenhout en andere houtsoorten van diverse geuren en afmetingen met spijkers van alle soorten en groottes, zeg maar alles wat nodig was om ‘le feste dou mariage me demiselle de Flandre’ te organiseren. Materialen en de lonen van de arbeiders werden betaald door de tresoriers in het begin van mei. En van zodra men klaar was met de werken werd de lakenhalle nu versierd.

De stadsschilder of de ‘dienaer vander stede van de schilderie’ kreeg deze opdracht zoals dat gebruikelijk was. Dat was meester Henri Mannin die tussen 1311 en 1330 heel wat belangrijke schilder- en stofferingswerken zou uitvoeren. En het zou dus wel deze man geweest zijn die ook nu moest optreden om de lakenhalle en de schepenkamer passend te decoreren voor het trouwfeest. De decorateur van dienst kreeg daarbij de steun van de grote Ieperse lakennijverheid die hem alle materiaal ter beschikking stelde.

De machtige gilde van de wevers leverde hem alle lakens die nodig waren om de grote muren van de halle te bekleden. Het waren dubbelgevouwen lakens van het grootste formaat en de schoonste kwaliteit. Stanforten in de plaats van wandtapijten, zelfs onder de tafels waar gedineerd worden. Al die voorbereidselen waren zonder twijfel afgewerkt twee dagen voor het feest. Want twee arbeiders, zijnde Hanin Darde en Thierkin de le Pipe moesten twee dagen lang in de lakenhalle blijven om te waken over de versieringen en er op toe te zien dat het vuur die niet zou verwoesten of aantasten.

Op de grote dag van het feest liet de binnenkant van de lakenhalle een grandioos en pittoresk uitzicht zien. De eretafel was volgens ons geplaatst in de schepenkamer. Het was op die plaats dat onze schepenen gezaghebbende personen ontvingen die op bezoek waren in hun stad. In deze kamer waar ze in 1310 nog specerijen en Rijnwijn geschonken hadden aan de aartsbisschop van Reims toen hij het belfort was komen bezichtigen. Het was dus daar dat de eretafel geplaatst was op stanforten i.p.v. tapijten, een tafel die versierd was met het schoonste zilverwerk van de stad, misschien was het wel dat van de graaf zelf.

Allemaal voor dat diner ter ere van de lieve Mathilde met Matthieu van Lotharingen. En natuurlijk voor haar vader, Robrecht van Bethune, de dappere ridders en de machtige heren van de Ieperse wet die allen meegezeten waren aan die eretafel. In de diverse andere zalen stonden nog veel meer andere tafels opgesteld, voornamelijk dan toch in de kamer van de halflakens in de zijvleugel van de lakenhalle. De ramen van deze ruimtes waren versierd met glas en glazen koepels van verschillende kleuren.

De gasten – officieren, volk van de graaf en andere heren, Ieperse ridders en notabelen – namen hier plaats aan deze versierde tafels in deze vleugel van de lakenhalle. Ze waren met velen. Dat kon men uitmaken aan de hoeveelheid schotels die benodigd was. Thierry Wouterman en Lammin le Sceutelaire leverden inderdaad de eerste 400 en 200 stuks die moesten afgewassen worden. Ze zouden voor hun afwas 36 Parijse centen krijgen. Informatie over de soorten wijn en de menukaart waren spijtig genoeg verloren gegaan in de Ieperse archieven. De meest opgemerkte gast tijdens het feest was Hendrik van Vlaanderen, de oom van de bruid en broer van Philips van Thiette en Gwijde van Namen.

Maar liefst 54 knechten stonden aan de toegangsdeuren om ongewenste personen buiten te houden van het feest. Nog tien anderen liepen buiten rond om speciaal te waken over de veiligheid. Zoals gewoonlijk schonken de schepenen kostbare geschenken, zoals grote zilveren vazen met een kostprijs van meer van 104 ponden.

Dit is een fragment uit Boek 1290-1380 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1290-1380
banner