Mei 1922. Het was reeds lang geleden dat een blijde mare zich ten lande verspreid had. De dakloze geteisterden zouden weldra hun woningen heropgebouwd zien door moedertje Staat. De Ieperse kinderen zouden terug hun haardsteden mogen betrekken en hun vroegere welstand herwinnen.
In het jaar 1920 – pas nadat de strenge winter verdwenen was en de eerste bloempjes bedeesd hun kelkjes openden – kwam de briefdrager ons een schrijven bestellen vanwege het gemeentebestuur van de stad Ieper. Een uitnodiging van de burgemeester aan de geteisterden die wensten hun woonsten door de Staat te doen herbouwen.
We hadden seffens onze beste jas aangetrokken en waren per spoor of fiets naar onze vaderstad gereden om inlichtingen in te winnen. We vonden daar in ‘De Hof’ enige barakken met burelen waar men ons met een echte woordenvloed verzekerde dat het in ons belang was onze rechten af te staan in ruil om onze woningen te laten heropbouwen door de Staat.
Tevens vroegen de bureeloversten of bedienden om propaganda te maken bij vrienden en kennissen om zoveel mogelijk de heropbouw te bespoedigen. We lieten ons beetnemen, zoals veel andere dutsen en in de maand april van hetzelfde jaar tekenden we ‘preus lijk veertig’ ons contract. In onze verbeelding zagen we gelijk Perette met haar eierkorf al onze splinternieuwe woning uit de grond oprijzen.
Nu echter begon ons calvarietocht. Na veel stappen kregen we een architect of bouwkundige op bezoek die ons veel beloofde en in zeven haasten tussen twee treinen door ons een voorproject liet zien waar ons huis schoon op afgebeeld stond.
En nog een keer lieten we ons bedotten en tekenden we zo fier als een pauw. Ge moest maar eens denken: we zouden een schoon nieuw huis krijgen met de sleutel op de deur en er zou niets vergeten worden. We leefden in blijde verwachting om weldra nieuws te ontvangen. Maar omdat het wat lang duurde, trokken we opnieuw naar ‘De Hof’ waar er burelen bijgekomen waren dat het wonderlijk om zien was.
Zelfs de heren die ons vroeger zoveel inlichtingen gaven, verwaardigden zich veelal niet meer om op onze vragen te antwoorden en ze zonden ons van het ene bureel naar het andere tot we uiteindelijk vernamen dat onze woning nog niet in aanbesteding was en met een weinig wijwater erbij trokken we terug naar onze barak.
De zomer verdween, de herfst ging voorbij en opnieuw bedekte sneeuw de aardbodem, en nogmaals leden we kou in onze barakken. Maar een Vlaming was nogal gauw tevreden en we hoopten met de ‘uitkomen’ een begin te zien van het bouwen van onze woningen.
Na veel stappen ondernomen te hebben en soms uren op uren van het ene bureel naar het andere getrokken te zijn om nieuws te vernemen over ons te bouwen huis, werd ons geduld beloond: onze woning ging in aanbesteding. Verscheidene aannemers schreven in maar om een niet bekende reden werd geen enkel aanbod aangenomen en ons vertrouwen in ‘moeder de Staat’ ging ferm aan het wankelen. Maar ik gaf de moed niet op en ging terug naar ‘De Hof’ waar men ons verzekerde dat eerlang alles ten beste zou komen. Inderdaad!
Weldra vernamen we dat onze woning, samen met die van nog diverse andere geteisterden zou gebouwd worden door de heren C. en M. Maar omdat het deze keer niet om een openbare aanbesteding ging, konden we geen verdere inlichtingen verkrijgen. Weken gingen voorbij. Veel heen en weer geloop en de hoogcommissaris verzekerde ons dat men weldra de werken zou aanvatten.
En dat onze woning klaar zou zijn in 150 dagen. Rond de maand april 1921 begonnen de werklieden te metsen en na verscheidene malen het werk onderbroken te hebben, was tegen het einde van het jaar onze woning in het droge. Nu zou het niet lang meer duren of we zouden ons huis kunnen betrekken!
We hadden echter het vel van de beer te vroeg verkocht en toen de lente van het jaar 1922 aanbrak, was er nog niets veranderd aan onze woonst tenzij beschadiging door het gure weer. Eindelijk kregen we de plakkers en de timmerlieden.
Veel ontgoocheling hadden we bij het nazien van de deuren en vensters die men plaatste. Volgens de beschrijving van de bouwkundige moest het hout van schone hoedanigheid wezen, maar dit alles liet veel te wensen over en ondanks onze herhaalde stappen wilde men niet luisteren en ging men altijd maar voort met het plaatsen van slechte deuren en vensters.
De ene keer gingen we de aannemers opzoeken die de schuld bij de timmerman legden en in de burelen paaide men ons altijd maar met beloften. De toeziener en de controleur maakten rapport na rapport, maar niets baatte en uiteindelijk gaf de hoogcommissaris ons de raad om onze klachten schriftelijk in te dienen. We kregen de toelating om in afwachting van maatregelen alvast ons huis in gebruik te nemen. In de maand mei van 1922 werd het huis bewoond en maakten we de toestand van de werken per brief kenbaar.
Dit is een fragment uit Boek 1918-1924 van De Grote Kroniek van Ieper


