banner
sep 26, 2025
90 Views
Reacties uitgeschakeld voor Verschrikkelijke dagen

Verschrikkelijke dagen

Written by
banner

Zondag 25 april 1915. Voor onze zondag baden we (het gezin van Karel Corneillie) een paternoster. In de loop van de dag mochten we even in de woonkamer komen en naar buiten kijken. De openstaande deuren in de Pennestraat konden de indruk wekken dat de bewoners wegens het goede weer hun deur hadden opengezet. Van uit de voordeur gezien was de verwoesting niet massaal; de rondgezaaide pannenbrokken, de klompen metselwerk, aardkluiten en glasscherven, de kleine bomtrechters die overal verspreid lagen, konden niet de indruk van grote schade geven. In de stad steeg op diverse plaatsen rook op. In onze kelder hielden de grote mensen ‘krijgsraad’. Ze zagen in dat de toestand waar we sedert drie dagen in leefden niet lang meer volgehouden kon worden.

Brood, melk, eieren en vlees ontbraken, zelfs drinkwater hadden we niet. Anderzijds was de lucht verzadigd van pikriekstof en dat snoerde de keel dicht. We hadden geen honger. Daarom keken we vanaf nu ernstig uit naar middelen om uit de beklemming te raken. Aan de Torhoutpoort stond gewoonlijk een schildwacht. Die zou ons kunnen informeren over het voorbijtrekken van ambulancewagen. Tante en ik werden uitgestuurd om de wacht te gaan polsen. We liepen tot aan de Torhoutpoort maar daar was daar geen levende mens te bespeuren. We wisten niet eens dat alle wachten naar het front gestuurd waren. Bij onze terugkeer hoorden we een 420-er met groot geraas aankomen van boven de zwemkom.

Terwijl we ons plat op de grond gooiden, ontplofte het monster met donderend geweld op Dooms fabriek (later Picanol). Een enorme zwarte wolk van rook en stof, tweemaal zo breed als hoog waar ik balken en stenen zag in wentelen, waaierde open boven de fabriek en tegelijkertijd sloegen granaatscherven tegen de gevel van het huis waarvoor we lagen. Het volgende ogenblik sprongen we overeind en renden we al wat we konden naar huis. Buiten adem en compleet overstuur vielen we in de armen van de andere huisgenoten die ons in de gang stonden op te wachten.

Rond 15u zagen we aan de voordeur een boerenwagen – getrokken door een koppel paarden van Sint-Jan – de Bruggesteenweg afrijden, gevolgd door enkele mensen en een zwarte hond die de stoet afsloot. Ze waren nog maar een paar honderd meter verder gereden toen een granaat huilend kwam opzetten, niet voor ons bestemd, maar voor de Bruggesteenweg op de plaats waar dat gespan vermoedelijk moest aangekomen zijn, ergens tussen de nieuwe brouwerij en het Paddegat. Ik hoorde vader zeggen ‘arme mensen, ze zijn er aan’. Het maakte een diepe indruk op mij.

Rond 16u, we zaten in de kelder. Er viel plots een 130-er op de achterkeuken van onze buren, bij de juffrouwen Maerten die niet eens een kelder bezaten en zich achter gesloten luiken verscholen hielden in hun woonkamer. Ze kwamen in tranen tot bij ons. Een tijdje later waren ze terug. Om adieu te zeggen, ze wilden naar Sint-Jan gaan tot bij de familie Slembrouck. Vader ontraadde het hen, ‘ge loopt het gevaar in de muil’, zei hij. Vader en tante waagden een nieuwe poging om een ambulance te bemachtigen. Rond 17u verlieten we het huis en gingen we de Kalfvaart op tot aan de Pilkemstraat.

Er was een kans dat daar Rode Kruiswagens voorbijreden. We arriveerden het eerst bij de granaattrechter op de Kalfvaart die de hele breedte van de straat innam. Langs de westzijde waren de gevels met hun funderingen achteruit gedrukt. Langs de oostzijde was een strookje grond van twee voet breed waarover men kon passeren zodat geen enkele ambulancewagen uit die richting tot bij ons te komen. Aan de hoek van de Pilkemstraat en de Bruggesteenweg lag een viertal soldaten in de gracht, geweer in aanslag, loerend in de richting van de Brieke.

Toen ze vader en tante gewaar werden, deden de soldaten teken dat ze dekking moesten zoeken. Ze konden ons niet vertellen wanneer er ambulancewagens zouden voorbijrijden. Ze hadden Duitsers gespot op de Brieke en dus zouden bij klaarlichte dag geen wagens uitrijden. Vader en tante liepen de Bruggesteenweg af. Niet ver van het Paddegat stond een volgeladen wagen: twee schone boerenpaarden lagen er dood net zoals de zwarte hond. Van mensen was geen spoor. Vol afschuw liepen ze voorbij die tragische plaats en verder de steenweg naar de Kaai toe.

Ze dachten hulp te vinden in het veldhospitaal waar we gevaccineerd waren tegen de tyfus. Maar dat was ontruimd en dus keerden ze maar via de Pennestraat terug naar huis. Ondertussen zagen we de Sint-Jacobskerk branden en ging de beschieting van de stad gestaag verder. Er waren ogenblikken van betrekkelijke kalmte en er waren momenten dat we maar tot tien of vijftien konden tellen tussen twee ontploffingen in. Na een lange dag vol spanningen vielen we in slaap op onze britsen en vergaten we voor een kort moment onze benarde toestand. Vader en tante waakten om beurt. Het was voor hen de vierde nacht dat ze min of meer zittend op een stoel sliepen.

Maandag 26 april 1915. Een nieuwe dag. Het kon wel eens onze laatste zijn. Het werd in elk geval de meest dramatische. Vader en tante zouden andermaal proberen een Rode Kruiswagen te krijgen om ons uit de stad weg te halen. Toen we sliepen, hadden ze het plan opgevat om naar de Poperingesteenweg te gaan, naar het nieuw hospitaal om er hulp te vragen voor onze evacuatie. Ze moesten daartoe dwars door de stad die voortdurend onder kanonvuur lag. In normale omstandigheden kon die weg heen en terug in drie kwartier worden afgelegd. ‘Als het God belieft, zijn we over een uur terug’, zei vader. Na een karig ontbijt vertrokken ze rond 8u.

We bleven zeer bezorgd achter, ze moesten zomaar onbeschut het gevaar trotseren en dat wisten ze maar al te goed. We konden van elkaar gescheiden geraken door een onverhoedse Duitse aanval tijdens hun afwezigheid of een ongelukkige granaat kon ons onder het huis begraven. Anderzijds konden vader en tante de dood vinden bij hun tocht door de stad. Het was voor hen een zware beslissing geweest die moeder mee had goedgekeurd. Nog altijd dreunden de kanonnen uit het westen, achter de stad, de granaten kwamen uit het oosten en het noorden. Ze zwierden in regelmatig tempo hun huilende bogen boven ons hoofd om vervolgens neer te ploffen in de verscheurde stad. We zaten in een tang van geluiden.

Wij, achterblijvers misten de steun van vader en tante. We waren toevertrouwd aan grootmoeder die nog goed te been was maar toch niet datzelfde vertrouwen inboezemde. Op moeder hoefden we – zo dachten we – niet veel rekenen maar toch bleef ze met haar geestelijke kracht de spil van ons gezin. Het eerste uur verliep vlug. We gebruikten onze tijd om ons klaar te maken voor de vlucht. Pakken en handkoffers stonden al klaar in de gang. Sedert donderdag waren we niet meer uit onze kleren, niet meer gewassen noch gekamd en moesten er allesbehalve netjes uitzien. Mijn broer Arthur en ik dachten aan vaders nota’s over de geschiedenis van Ieper. We staken elk een paar notaboekjes in onze zakken. Dat was ons niet bevolen maar we wisten dat vader daar veel belang aan hechtte en dat dit hem veel genoegen zou doen.

Vader en tante liepen langs de Pennestraat, Diksmuidestraat en Surmontstraat. Ze zagen geen levend wezen, moesten zich enkele keren op de grond werpen en renden dan weer verder. Aan de hoek van de Surmontstraat en de Boezingestraat stond de deur van het huis open. Vader en tante vluchtten er binnen en zochten dekking tegen een aansnorrende granaat. De bewoner, Leo Vyckaert was in de voorplaats bezig met het kerven van tabak. Toen het weer rustig werd zetten ze hun weg voort. In de Boezingestraat, voor herberg ‘De Zwarte Leeuw’ lag een soldaat voor dood in de greppel. In de Elverdingestraat stond een Canadese soldaat met gesloten ogen, geleund tegen de poort van een magazijn (later Denys-Lebbe). Hij was blijkbaar gewond en verroerde niet eens meer toen vader en tante hem voorbijliepen.

Bij de overweg van de spoorbaan naar Poperinge tot aan de Sterre lagen verschillende lijken te wachten op hun begrafenis. Ze schrokken toen ze tussen die lijken mijnheer Attert herkenden, de man uit onze buurt die we de vrijdag hadden zien wegvluchten. Hij lag met zijn gezicht tegen de grond, met zijn opengemaakt pak naast zich waarin enkel nog een kerkboek en een paternoster lagen. Ze liepen verder en bereikten het dienstdoende hospitaal van het Heilig Hart. Tot hun grote ontgoocheling was het complex ontruimd. Het veldhospitaal bleek nu ingericht in het café ‘De Augustijnenstraat’ bij Pé Couache. Na heel veel moeite kreeg vader een dokter te spreken, de man opereerde op samen geschoven herbergtafels. Het was een norse man die een weinig Frans sprak.

Vader vroeg een Rode Kruis wagen te sturen om een familie van tien personen waaronder een bedlegerige vrouw en zes kleine kinderen van de Kalfvaart weg te halen. Dat was eerst niet nodig. Volgens de dokter waren er niet langer burgers in de stad omdat de ontruiming al drie dagen geleden afgelopen was. En trouwens: ook de bewoners van de Kalfvaart waren daarvan verwittigd. Vader merkte op dat hij van niets wist en dat er zeker nog meerdere burgers in de kelders verbleven. Pas toen kalmeerde de dokter en beloofde hij tegen de avond een ambulance te sturen want tijdens de dag was dat veel te gevaarlijk. Dat vader en tante op hun stappen zouden terugkeren om ons te verwittigen, nee, daar kon voor de dokter geen sprake van zijn.

Voor ons die aan het wachten waren, werden dat natuurlijk verschrikkelijke uren. Waar bleef vader? Waar bleef tante? Waar bleven ze die lange tijd? Het was een dag vol tranen en wanhoop met moeder die ons probeerde te troosten en ze maar bleef zeggen dat we moesten rekenen op Gods voorzienigheid. Toen we ons om 16u klaarmaakten om opnieuw in de kelder te overnachten trappelden vader en tante vol ongeduld in het rond. Ze stonden duizend angsten uit en moesten het stellen zonder eten of drinken. Pas dan verscheen de dokter. Hij riep een verpleger-chauffeur van het Salvation Army en gaf zijn orders. Hij mocht naar de stad rijden. Alleen vader mocht mee om de weg te wijzen. In razende vaart reed de wagen stadwaarts.

In de Elverdingestraat lag de Canadese soldaat nu uitgestrekt op de stenen. In de Boezingestraat lag de gevallen soldaat nog steeds in de greppel. Vader wou langs de Cartonstraat naar de Kalfvaart rijden omdat ze hier een betere dekking hadden. Bij het inrijden van deze straat plofte een hele voorgevel in het midden van de weg en blokkeerde daarmee het verkeer. De chauffeur sloeg dan maar de Diksmuidestraat in maar hij bemerkte dat hij nu uit de stad aan het rijden was. De Boezingevaart lag daar recht voor hen. En lagen de Duitsers daar niet? De man weigerde om verder te rijden. Vader smeekte hem vergeefs om nog vijfhonderd meter door te rijden om ons huis te wijzen.

Maar de chauffeur bleef bij zijn weigering. Hij stopte dus voor Dooms fabriek. Vader sprong uit de ambulance en rende naar ons toe via de Pennestraat. Op het moment dat hij zijn sleutel bovenhaalde om bij ons binnen te komen sloeg een granaat in op het Kattenkerkhof, niet ver van de wachtende auto. Vader voelde zich wanhopig, zouden we ook deze laatste kans missen? Wij waren gek van vreugde om vader terug te zien, hij stond daar met zijn zwart verband om zijn hoofd. Er was geen tijd te verliezen, elk pakte zijn pakken. Grootmoeder kreeg niet eens de tijd om haar beste kleed mee te nemen, ‘vooruit langs de Pennestraat’, riep vader, we vergaten zelfs het olielampje uit te blazen. Net op het moment dat we onze voordeur openden, hoorden we een fluitende granaat, we sprongen buiten maar wierpen ons tegen de grond, midden de straat, toen de granaat ontplofte. We wierpen nog een laatste blik op de uitgebrande huizen van de Kalfvaart.

De late namiddagzon scheen er dwars doorheen, het leken wel akelige geraamten. We kwamen weer overeind, duikelden in de gracht aan de overkant en bereikten zo de Pennestraat waar we langs de huizen slopen. De anderen volgden. Vader, met moeder en Oda sloten de vluchtende groep. We moesten gelukkig minder ver lopen dan gedacht, de chauffeur had dan toch dekking gezocht in de Pennestraat en had daardoor zijn leven gered. Hij nam onze pakken aan, wierp ze in de auto, pakte ons op en gooide ons achterna. De andere huisgenoten geraakten ook in de wagen, de motor sloeg aan, het ambulancevoertuig reed weg.

Het was mijn eerste autorit. Toen zette de wagen zich op gang met een vaart vanjewelste. Aan de Diksmuidepoort zagen we voor het laatst ons huis. Het stond er zo weldadig bij in de avondzon, zo vriendelijk, zo vertrouwd, ik vatte het met een blik om nooit te vergeten. We beseften dat de scheiding lang zou duren, het was een vlucht naar de verste verten, in de lengte van dagen en jaren. De Rode Kruiswagen reed door de Diksmuidestraat, nam zonder vertragen de scherpe bocht van de Surmontstraat, reeds over stenen en dakpannen en laveerde van rechts naar links om de grootste hindernissen te ontwijken. Er vielen pannenbrokken tegen het zeildoek van de wagen.

We zagen de dode soldaten in de Boezingestraat en de Elverdingestraat. De auto raasde de stad uit. Aan de spooroverweg naar Poperinge lagen verscheidene lijken. De auto stopte voor het geïmproviseerde veldhospitaal bij Pé Couache waar tante ons stond op te wachten. Het was een blij weerzien. Iedereen moest uitstappen. De vrouwen en de kleine meisjes bleven in de buurt van de wagen, moeder zat op een valies. Vader bood de chauffeur een zilveren vijffrankstuk aan maar de man weigerde dat en begon dadelijk de banden van zijn wagen bij te pompen.

Dit is een fragment uit Boek 1915 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1915
banner