Onze kroniekschrijvers hadden het regelmatig over de eerste sterkte aan de Leet. Zo bijvoorbeeld;
Het jaar 478. Dit jaar gebeurde de stichting van onze vermaarde stad Ieper door Childerik, de heidense koning van Frankrijk wiens zoon Clovis de eerste christen koning van Frankrijk was geweest. Deze Childerik werd omwille van zijn ongebonden leven door zijn nazaten van de troon verjaagd en ze verkozen in zijn plaats een Romeinse hertog, met name Gillion. Waardoor een grote onenigheid en inlandse oorlog was ontstaan in Frankrijk, onder de gemeenten, de ene partij houdende met de koning en de anderen met de hertog. Zodat eenieder genoodzaakt was zich te versterken tegen zijne aanstaande vijanden, dat was ook bij ons het geval omdat in die tijd de Nederlanden afhingen van de koning van Frankrijk. Zo werd er in Vlaanderen een grote menigte van sterkten en kastelen gebouwd omdat in deze gewesten de vijanden elkaar het meest aandeden, onder dewelke de genoemde koning Childerik een sterkte of kasteel in Ieper deed bouwen op lood en huiden omwille van de waterachtige en vochtige grond van een grote meers die naast de rivier het Ieperleet lag. Dit kasteel werd gebouwd op dezelfde plaats waar nu nog tegenwoordig het huis in de Korte Meers stond, dicht aan de rivier en brug van het Ieperleet, naar de westkant, genaamd de Drie Torren. Dit kasteel rondom in iepenbomen, die daar over menigvuldige jaren aldaar in die meers (waarvan nog tegenwoordig die straat de naam draagt) gestaan en gegroeid waren.
Het jaar 482. Gerard De Feu Onder Childerik, de heidense koning van België had Ieper zijn begin genomen, zo sommigen meenden van Iperbor, kapitein van oud Bretagne dat het eerste kasteel gemaakt werd omtrent de Leet, op loden huiden gebouwd. Men meende dat het tegenwoordig stond op de plaats van het huis genaamd ‘De Drie Torren’ in de Meers, hetgeen stond rondom tussen iepenbomen, van waar nog heden de naam van Ieperleet afkomstig was. Daarnaast werd een kapelletje met enige huisjes gesticht door toedoen van de heilige Chrysolius die daar eerst het evangelie gepreekt had, met groot zielenprofijt, ten jare 482.
Het jaar 558. De uitgestrektheid van Ieper groeide aan met de bouw van nieuwe huisjes die allemaal los van elkaar werden opgetrokken rond de burg. Het bevolkingsaantal bleef aangroeien wegens de vruchtbaarheid van de grond die ondertussen al gezorgd had voor een weelde aan iepenbomen en veel vreemdelingen aangetrokken had om zich hier te komen vestigen. Het kasteel bevond zich op een locatie die men later de Korte Meers zou noemen, langs de Ieperleet, aan de westkant van deze rivier. De burcht droeg de naam van ‘Drie Torens’.
Het jaar 859. Chronycke van Ypre Carolus de Caluwe, koning van Frankrijk deed zijn dochter Judith, weduwe van Adolphus koning van Engeland naar zijn huis terugkeren. Om haar te gaan afhalen, stuurde hij diverse grote heren, onder andere de heer Maximilianus, de heer Ferdinandus en Boudewijn de Ijzeren, de 8e forestier van Vlaanderen. Deze Judith was een uitnemend jong en schoon vrouwmens dat nooit gebruikt was van haar man want ze was met de koning van Engeland getrouwd ten jare 851 toen die nog een kind van zeven jaar oud was. In het afkomen van Engeland liet Boudewijn de Ijzeren zijn liefde vallen op deze weduwe Judith en hij had haar onderweg onteerd en weggevoerd binnen Ieper en tegen de wil van haar vader de koning voor zich gehouden, wonende op het kasteel van de Drie Torren in de Korte Meers. Toen de koning van Frankrijk dit vernam, was hij uitzonderlijk verstoord op onze Boudewijn. Hij stelde een machtig leger samen om Boudewijn helemaal ten onder te brengen en daarbij het dorp van Ieper in brand te steken en al wat er leven bezat door het zwaard te doen passeren.
Het jaar 902. Chronycke van Ypre Graaf Boudewijn II liet de stad van Ieper herstellen, waarom sommigen hem beschouwden als de eerste stichter van de plaats, maar dat was een abuis. Deze graaf liet het afgeworpen kasteel in de Korte Meers herbouwen, veel schone, grote, magnifieke huizen optrekken en rondom versterkingen tegen alle vijandelijke aanvallen. Op die manier was Ieper voor de tweede maal herbouwd geweest, en had die voor de derde maal zijn eerste stichting of fondatie ontvangen en was dus allengskens veranderd in een grote, volkrijke en florerende stad die het derde lidmaat van Vlaanderen uitmaakte nadat Ieper er alweer verwoest bijgelegen had door de laatste verwoesting van de Noormannen gedurende de tijd van 22 jaar. En dan werd de kapel van Onze-Lieve-Vrouw herbouwd.
Het jaar 902. De jaarboekschrijvers beweerden wel dat graaf Boudewijn de Kale hier aan de oevers van de Ieperlee een burg liet bouwen, maar op dit tijdstip gedroeg de vorst zich effectief als een grootgrondbezitter zodat hij zich ongetwijfeld met een omwalling tevredenstelde. Mogelijk was die omwalling beter aangelegd en van drie torens voorzien en gebouwd op het eiland dat gevormd werd door de Ieperlee, zoals de kronieken dat wilden. Uit die informatie konden we nochtans niet de exacte ligging van deze eerste burg afleiden. Oorspronkelijk kon hier immers geen eiland ontstaan zijn. Want als een waterloop door geen verschillende aardsoorten vloeide zoals dat hier het geval was, zou ze in principe in de vorm van een ‘V’ hebben moeten vloeien. Met de Ieperlee was dat evenwel helemaal niet het geval want de ene arm maakte omzeggens een rechte hoek terwijl de andere gewoon rechtdoor liep. En dat deed ons vermoeden dat deze arm gegraven werd door mensenhanden ten voordele van handel en nijverheid.
Het jaar 962. Chronycke van Ypre Graaf Boudewijn had geordonneerd dat men op het Ascensioensfeest uit de toren van het kasteel genaamd De Drie Torren in de Korte Meers voor de eerste keer twee à drie levende katten zou smijten om aan alle vreemdelingen te betonen dat de Ieperlingen helemaal bekeerd waren tot de Roomse katholieke religie en alle afgoderij van hun voorouders versmaad hadden. Want veel vreemdelingen hielden staande dat de Ieperlingen nog afgodisten waren die de katten en andere afgoden aanbaden. Daarom, om te betonen dat ze alle afgoderij verachtten, ordonneerde de graaf tot een zeker signaal dat men voortaan jaarlijks op het bijzonderste feest van de stad enkele levende katten van de toren van het kasteel zou werpen. Het welke sinds die tijd binnen Ieper altijd gepleegd was geweest. En dat was de oorsprong van het smijten van de katten.
Het jaar 1127. Lodewijk Boetman. ‘Anno 1127 arriveerde binnen Ieper Carolus de Goede met al zijn getrouwe raadsheren. En hij heeft alhier het kasteel in de Korte Meers van Bossaert Vanderstraeten tot assen doen verbranden.’ Op 28 februari 1127 keerde Karel naar Brugge terug waar hij de volgende dag integraal besteedde om orde op zaken te stellen. Tegen de avond aan arriveerden Gwijde van Steenvoorde en andere verraders aan zijn paleis in een poging om hem tot wat meer mildheid te overhalen. Maar terwijl ze van zijn duurste wijn zopen, stonden hun plannen van een aanslag al vast. Tijdens de nacht die volgde, hokten ze samen in de woning van Bertulf. Dat waren Gulrik de broer van Bertulf, neef Burchard, Isaak van Reninge, Willem van Wervik en Ingelram van Esen. Willem van Lo kwam niet ter sprake.
In 1871 schreef men ook;
Zondag 19 maart 1871. Men zou binnenkort aanvangen met de afbraak van de Wallepoort die zich in de Korte Meersstraat bevond en heden in puin dreigde te vallen. Het werd de lezer onder ogen gebracht dat in vroegere tijden het Wallestraatje, gelegen bij het oude fort, genaamd ‘Het Drietorenkasteel’, gebouwd onder de regering van graaf Boudewijn de Kale (+918) diende als dijk tegen de overstromingen van de Ieperlee. Oude kronieken vertelden dat hier in de straatje de genaamde Bulsgat woonde, een pensenkapper. Die man beschikte over een geestig karakter, gaf jaarlijks op Thuyndag een ton bier te drinken aan allen die voor zijn deur kwamen dansen. Sedertdien was de naam van deze straat veranderd in die van het ‘Bulseersgat’.
Ter illustratie een simulatie die ik vroeger maakte op basis van de oude kadasterplannen. De ronding verraadt de oude vorm van de ringgracht met wallen van de oude sterkte, opgegraven in maart 2025.
Dit zijn fragmenten uit het Boek 0000-1289 van De Grote Kroniek van Ieper


