Donderdag 21 oktober 1852. Het schepencollege stelde zijn jaarrapport 1851 voor aan de gemeenteraad. In het verslag was onder andere sprake van het openbaar onderwijs in de stad. In eerdere rapporten werd al aangegeven dat de gratis basisscholen voor jongens goed functioneerden en volledig beantwoordden aan de doelstellingen van hun oprichting. Er werd niets aan het toeval overgelaten om lessen te geven die nuttig waren voor de arbeiders, op een manier dat de ouders die zelf tot de werkende klasse behoorden dat zelf zouden doen en nu dus konden gebruikmaken van de mogelijkheden aangeboden door het stadsbestuur. Toch moesten we tot onze spijt nog eens herhalen dat het spijtig was dat nog zoveel ouders deze grote inspanningen niet naar waarde wisten te schatten en er zelfs velen waren die niet eens de moeite deden om hun kinderen naar school te zenden.
Nochtans nodigden de leslokalen uit, ze bevonden zich in zeer nette en goed onderhouden gebouwen, goed verlucht en verwarmd, al die speciale zorgen waar de kinderen konden van genieten. En dat alles om hen na hun opleiding in de beste werkhuizen van de stad aan de arbeid te kunnen zetten en om hen en hun ouders daarbij te vrijwaren van honger en ellende. We bleven dus volhouden en aandringen dat het bureel van weldadigheid wijze maatregelen zou nemen in het voordeel van deze ‘blinde’ ouders om hen alsnog te overtuigen om hun kinderen naar school te sturen. De school onder leiding van juffrouw Riout en bestemd om lessen te geven aan de arme meisjes, werd nog altijd maar pover bezocht en heel weinig ouders maakten gebruik van de gelegenheid om gratis onderwijs te bieden aan hun meisjes.
De reden hiervan was te vinden in het feit dat deze kinderen al van jongs af gebruikt werden in de kantwerknijverheid die in deze stad de voornaamste inkomensbron van de werkende klasse betekende. In 1851 werden onze diverse meisjesscholen door 937 leerlingen bezocht. Bewaarschool (350), lagere dagschool (426), lagere avondschool (118), zondagschool (23) en meisjesschool (20). We konden met genoegen vaststellen dat de muziekschool die aangehecht was aan de lagere school op bijzonder bevredigende manier aan het werk was. Excellente resultaten die toe te schrijven waren aan de goede organisatie van onze stedelijke basisschool en het talent en toewijding van directeur Keyzer. De toestand aan het college in Ieper was ongewijzigd gebleven. We betreurden het dat we op de nieuwe wet hadden moeten wachten vooraleer enkele zo sterk gevraagde wijzigingen te kunnen doorvoeren.
Het algemeen uitzicht van onze straten bood nog vaak een onaangenaam karakter. Dat had deels te maken met de slechte wil van enkele inwoners die ondanks het meest formele verbod toch alle soorten van afval bleven rondstrooien te midden van de straten en steegjes. Ook de aannemer die het slib moest opruimen, verwaarloosde zijn taak regelmatig. We waren van plan om binnenkort een nieuw stedelijk reglement in te voeren waarvan we de beste resultaten verwachtten. De hygiënische toestand van de stad was aanzienlijk verbeterd en we konden bevestigen dat het cijfer van erkende behoeftigen bij het burgerlijk hospitaal maar 75% bedroeg van dat van vorige jaren. Los van de onderhoudswerken van de straten en riolen die uitgevoerd werden in de mate van de financiële mogelijkheden, waren we er toch in geslaagd om een groot deel van de Ieperlee te overwelven.
Deze grote beek werd beschouwd als een actieve haard van bedorven dampen, vooral dan in de zomerhitte. Sinds lange tijd had het Iepers gezondheidscomité er op gewezen dat de Ieperse hygiëne op dat vlak te kort schoot. Er werden in 1851 nieuwe riolen aangelegd over een lengte van 390 meter, tussen de Neermarkt en de Kloosterpoort van Sint-Maartens en tussen het burgerhospitaal tot aan de militaire bakkerij in de Kauwekijnstraat. 2.840m² wegbestening werd aangelegd in de Lombaardstraat, Boezingestraat, Kauwekijnstraat en langs de Oude kleermarkt. Na rekenschap genomen te hebben van de gezondheidstoestand van de behuizingen der arme mensen en in de arbeiderswoningen had het college van burgemeester en schepenen de nodige maatregelen getroffen.
Diverse huizen werden door het gezondheidscomité ongezond en onbewoonbaar verklaard en die mochten niet langer betreden worden. Andere woningen werden gesignaleerd om er dringend verbeteringen te krijgen en waren door hun eigenaars over het algemeen al hersteld. Deze eigenaars hadden in de meeste gevallen niet geaarzeld om zich in regel te stellen met de geëiste voorwaarden. Een belangrijk werk waarvoor een dringende uitvoering ten behoeve van de openbare gezondheid noodzakelijk was en die we zeker tot uitvoer wilden brengen, betrof de aanleg van een grote riool in het Sint-Pieterskwartier. Deze werken waren allernoodzakelijkst in een van de meest bevolkte kwartieren van onze stad en waren uitgesteld geweest door een gebrek aan voldoende financiële middelen.
We hadden ons in dat verband gericht tot de Belgische overheid en hoopten vurig om voor dit project de nodig steun te mogen ontvangen. Afgelopen jaar was er in onze vreedzame stad één vreselijke brand uitgebroken. Dat was gebeurd op zondagnacht 30 maart 1851. Het vuur had zich op geweldige manier gemanifesteerd in het huis dat bewoond werd door Auguste Brunfaut, een handelaar in kantwerk en had er een vreselijke ravage aangericht. Op minder dan enkele uren werd de hele binnenzijde van de woning door de vlammen verteerd en werd het huis compleet opgepeuzeld en verwoest. De verliezen waren niet te overzien. Zoals gebruikelijk had ons pompierkorps tijdens deze ongelukkige omstandigheden laten zien dat het beschikte over een grote toewijding en een weldoordachte moed.
Sinds lang hadden we al melding gemaakt over de deerlijke toestand van ons stadsmagazijn. Er waren dringend werken nodig om het geschikt te maken voor zijn doelstellingen. Daarbij waren ongelukkig genoeg moeilijkheden opgetreden en we voorspelden dat de stad wel eens verplicht zou kunnen zijn om de nodige budgetten voor een nieuwbouwmagazijn te reserveren. De kwestie van de ijzerweg van Ieper naar Kortrijk had een voor Ieper gelukkige afloop gekregen. Met dank aan een krachtige tussenkomst bij de regering was het bedrijf die deze spoorwegconcessie in handen had aan de werken begonnen. We bleven de nodige druk zetten en we hoopten dat nog voor einde 1853 onze stad niet langer afgezonderd zou zijn van de hoofdstad. We hadden er alle hoop in dat de firma Chantrell die trouwens onze belangen deelde er alles zou aan doen om Ieper zo snel mogelijk uit zijn isolement te halen.
Dit is een fragment uit Boek 1830-1876 van De Grote Kroniek van Ieper


