Donderdag 5 juni 1794. De Fransen kwamen in groot getal af van de Menense kalsijde en ze drongen door langs Hoge Zieken en Sint-Juliaan, recht naar Langemark. Op een half uur tijd liep de parochie vol. Ze stelden direct piketten op langs de straten en de voetwegen. Het baatte niet langer om de vaart te beschermen vermits ze nu doorgedrongen waren aan beide zijden ervan. Toen de volontairen dat gewaar werden, begonnen ze een bres te zoeken en wierpen ze hun wapens weg. De commandant van Reninge werd in de tranchees doodgeschoten.
Een andere vrijwilliger die zich in de buurt van Steenstrate vergewiste van de toestand werd zijn arm afgeschoten door een kanonbal. De pastoor van Langemark werd vastgegrepen en moest zijn geld en zijn horloge met het nodige geweld afgeven.
Met mijzelf gebeurde een wonderbaarlijke historie. Op die bewuste 5e juni wilde ik absoluut nog eens mijn moeder en mijn zoon bezoeken die in Langemark gebleven waren in de hofstede van Pieter en Chaerle De Raedt. Rond de middag trof ik daar in de omgeving ongeveer 1.100 Engelse en Hessense soldaten aan waardoor ik toch een wat veiliger gevoel kreeg. Zo ging ik verder naar de bewuste hofstede op Hoge Zieken. Mijn compagnon bleef ter plekke met de kinderen van mijn neef Jan Baptiste Cuvelier.
Toen ik de boerderij bereikte, hadden ze daar net het gerucht opgevangen dat de Fransen aan het binnenbreken waren in Sint-Juliaan en dat ze reeds de plaats van Langemark bereikt hadden. Elkeen liep meteen weg, de wagen met het goed opgeladen. Ik trof er alleen nog maar mijn moeder en mijn zoon aan die altijd maar kermde om weggedragen te worden omdat hij nog altijd goed hun gezelschap van in Reningelst herinnerde.
Ik had veel moeite om hem tevreden te stellen en ondertussen liep de klok maar voort en moesten we zien om nog te kunnen wegvluchten. Moeder gaf me een deken om naar het bos te gaan. Ik besliste om eerst naar de plaats van Langemark te gaan maar daar stonden de Franse piketten al en niemand mocht er voorbij. Dan maar op weg naar het bos. Maar na een uur of twee speet me dat al en nam ik de weg naar de stenen molen. Maar ook daar stootte ik op een piket. Net op dat moment kwamen enkele Engelse Jagers toegelopen die de weg kwijt waren.
Die mensen riepen altijd maar dat de Nations op komst waren. Men had geen benen genoeg om te lopen. Ik liep dan maar mee, vond een arm huisje en verstopte me in de haag. Maar ik lag daar net zo verscholen als iemand die bloot lag. De vrouw van het pover huisje bekeek mij en vertelde me dat hier nog geen Carmagnolen waren geweest. Ze liet me binnen omdat ik aangaf dat ik angstig en bang was.
Ze stak me bovenop haar zolder, door een luik, in een lege koets waarbij ik me door de spinnenwebben – ‘koppenetten’ – die er in overvloed waren, moest wurmen om er in te geraken. Achter me deed ze het luik dicht, trok de trap weg en liet me achter aan mijn eigen schrik. Want ik was ervan overtuigd dat ik nu vermoord zou worden. Ik verstopte nog haastig mijn horloge en mijn papieren. Terwijl ik daar in droevige gedachten verzonken was, kwamen er enkele vrouwen en kinderen naar het huisje toegelopen.
Ze waren in de handen van de Carmagnolen gevallen en vertelden met groot misbaar dat ze geen geld hadden. Ik dacht aanvankelijk dat ze zelf Carmagnolen waren. Ik had nogal redelijk veel geld in mijn zakken dat niet in een beurs stak. Ik probeerde het te verstoppen in het dak maar het viel van alle kanten op de zolder terwijl ik daar helemaal verborgen was.
Nadat het wat stiller werd, kwam ik wat meer tot mezelf en begreep ik dat het vrouwen waren die schreeuwend bezig waren met het vertellen over hun doorstane gebeurtenissen. Na twee uur vol doodsangsten hoorde ik dat het stil werd. Ik klopte, de vrouw plaatste de trap en liet me naar beneden komen. Nadat ik een weinig gedronken had, want ik was zeer dorstig, begon de avond te vallen en ik zou graag van dit kasteel hier vertrekken. Ik wist gewoon niet waarnaartoe. Plots kwam daar een man die wel van god gezonden leek. Een dappere en stoutmoedige mens. Ik beloofde hem goed te betalen indien hij mij van tussen de Franse piketten zou wegleiden en me op de weg naar Staden wilde afzetten. Hij nam mijn voorstel aan en leidde me vervolgens door grachten hagen en vruchten. Dikwijls kruipend, langs Sint-Jan ter Vonte waar er een Frans piket stond.
Toen we er haast tegenover stonden, vroeg hij of ik niet eens hun rode mutsen wilde zien? Mijn haren rezen ten berge en ik zei dat hij moest zwijgen en dat we de weg moesten inkorten. Het bracht me verder tot aan de kapel van Langewade bij Merkem. Daar kwamen we in contact met enkele vluchtende volontairen van Steenstrate. Ik liep samen met hen naar het Vrijbos tussen Houthulst en Poelkapelle waar niet één slok water te vinden was. Ik was leeg van te vasten en zat op mijn tandvlees. Op het uiteinde van het bos vroeg ik of ik niet eerst eens een pijp mocht opsteken en ik vond daar een kluis waar de vrouw zonet aardappelen had gezoden.
Wat een lust was me dat! Aardappelen en water waren die dag lekker eten. De knecht van Pieter Cuvelier, mijn compagnon dus, was nu al een hele tijd teruggekeerd in Staden en ze maakten zich daar ernstige zorgen om mij omdat ze dachten dat ik opgesloten was. Toen ik er aankwam, gaven ze me eerst wat te eten en drinken en dan kon ik vertellen over de voorbije gebeurtenissen. We waren allemaal bekaf, maar we lachten samen meer dan we huilden.
Dit is een fragment uit Boek 1785-1829 van De Grote Kroniek van Ieper


