Woensdag 8 oktober 1873. Om 9u was een deurwaarder – vergezeld van de politie – de school van de Lamotten binnengegaan en hij had het gesticht in beslag genomen. De mare was algauw de stad rondgegaan en om 10u ontstond er een nogal omvangrijke samenscholing van vooral vrouwen die samentroepten voor de deur van de school in de Rijselstraat. Alles verliep kalm en daar waren groepjes die schenen in een zeer belangrijk gesprek te zijn.
De enen gaven de stad gelijk en anderen beklaagden de nonnetjes, en ieder vogeltje zong zijn liedje maar stilletjes weg. Tegen de middag was het getal nieuwsgierigen veel verminderd omdat het eten klaar moest zijn voor de man zou thuiskomen. Want anders zou het er gaan opzitten! Uiteindelijk zag men nu en dan een maseurken de deur uitgaan en de Oude kleermarkt overtrekken….
En alles wat gezegd. ‘s Avonds was het luchtsteking in de Sint-Jacobsstraat waar de nonnekes hun intrek hadden genomen in een huis dat reeds lange tijd voor hen klaar stond. Alles wat daar gebeurde, bewees dat men graag het volk tegen de liberalen had opgehitst. Maar dat had niet geluisterd. Alles liep uit op het crapuleus gewoel van enkele dronken gevoerde wijven en kinderen. Men had op vrijdag Onze Heer die in de kapel rustte processiegewijs naar Sint-Maartens overgebracht.
…. De aanslag was voltrokken. De Lamotjes waren overgeleverd aan de liberale dwingelandij. Het was de wet van Bara die het zo wou zoals het beslist was door het hof van beroep en uiteindelijk ook door het hof van cassatie. O Moeder justitie! Het was dus de wet van Bara die slechter was en onrechtvaardiger dan al de wetten van die binnenpalmer Jozef II van Oostenrijk. Slechter, onrechtvaardiger en smeriger dan al de wetten van de eerloze Franse revolutie. Slechter, onrechtvaardiger en meer tegen al wat katholiek was dan de wetten van de protestantse kerkvervolgers der Nederlanden.
Want Jozef II, Robespierre, Napoleon en Willem hadden de Lamotjes geëerbiedigd en laten bestaan zoals de stichters het gewild hadden. De wet van Baras en onze Baras-liberalen sloegen de Lamotjes aan. Dat kon dan wel wettelijk zijn en volgens de oppertribunalen was dat ook zo, maar het was strijdig tegen de wetten van de natuur, want de laatste wil van de stervenden was zelfs bij de barbaren als iets heilig aanzien en geëerbiedigd. En vooral ook strijdig met de wetten van de heilige kerk.
Maar de aanslag was voltrokken. De Lamotjes leefden niet langer in de oude Mariaschool. Dat oud gebouw, gegeven voor de arme kinderen was vandaag door brutale macht beroofd geweest van zijn inwoners die er honderd jaar in rust hun heilig werk gedaan hadden. Wat moesten we daarover zeggen? Niets anders dan eenvoudigweg vertellen over de hele geweldpleging zoals ze gebeurd was en zoals ik ze gezien had.
Het was inderdaad 8 oktober 1873 geweest, in de tijd toen Pieter Beke burgemeester was, Hendrick schepen en Vanheule schepen van onderwijs, in de tijd dat Verschaeve, Brunfaut, Bouckenaere, Soenen, Vanalleines, Bossaert, Cornette en consoorten op het stadhuis zetelden. Het was om 8u geweest dat vier gendarmen in burgerkleren, twee stadsgarden, de commissaris van politie, deurwaarder Stragier de Lamotteschool binnentrokken.
Het eerste wat ze zegden was dat we allemaal tegen 15u vannamiddag in de naam van de wet met pak en zak buiten moesten zijn. De zusters schrokken ervan en wisten niet wat zeggen. Er was er toch één die zei dat alle zusters in de klassen zaten bij hun kinderen en dat ze hen daar moesten laten tot aan de middag. Maar toen zou het afgelopen zijn. Natuurlijk was het gerucht van de inval al gauw verspreid. Een van de zusters was naar buiten gelopen, op zoek naar hulp, troost of raad. Want niemand wist ervan en niemand had ooit durven denken dat dergelijke onvoorziene en onvoorspelbare aanval zou plaatsgrijpen.
De zuster keerde terug maar de deur was op slot en bleef op slot en dus bleef ze buiten. ‘Een keer buiten is voorgoed buiten’, gromde een politiestem. Vervolgens liepen die acht mannen van de wet – ja spijtig genoeg van de wet – door het klooster, sloten alles af waar ze slot of sleutel van vonden, maakten zich meester van al wat al dan niet fondatiegoed was, ja zelfs van de laatste aalmoes die de behoeftige zusters twee dagen geleden nog ontvangen hadden. Want we leefden van aalmoezen.
Tot na de middag werd de wacht gehouden in het klooster. Ondertussen waren duizenden mensen voor de Lamotteschool verzameld en veruit het grootste deel ervan voelde zich verslagen en was droevig gestemd. Ze klaagden bitter en jammerden omwille van de Lamotjes en hun school en vielen uit tegen het stadsbestuur. Andere toeschouwers toonden zich onverschillig, koel en blasé stonden ze nieuwsgierig toe te kijken.
Onder hen een gemeenteraadslid met sigaar in de mond en blootshoofds en nog bloter van verstand. De man liet zich opmerken met alle oude domme beschimpingen, laster en leugens te herhalen die eerder verschenen waren in de ‘Progrès’ en ‘De Toekomst’. In een herberg naast de school zaten er enkele mannen die dronken en ze bromden telkens als ze een soutane of een priesterkleed zagen verschijnen.
De middag brak aan en de zusters gingen eten. Ze hadden enkele overschotjes gehakt vlees in balletjes gerold en klaargemaakt maar er was niemand die een hap door de keel kreeg. En toen ze een glas bier wilden krijgen, vonden ze de kelder gesloten. Maar het werd hen dan toch toegelaten om drie kannen bier te halen voor 22 zusters, t.t.z. elk een glaasje. De zusters hadden nochtans zoals gebruikelijk hun geestelijke lezing en de mannen van de wet wandelden rond de tafel.
Nadat ze hun maaltijd genuttigd hadden, wilden de mannen van de wet ook eten. En zij konden wél iets door hun keel krijgen! Ze namen dan de balletjes of de frikandellen. Maar die waren niet vet genoeg voor de mannen van de wet. Er werd naar de kelder gelopen om boter die nu gebruind werd zodat ze de frikandellen naar hun zin konden krijgen. Ze vonden nog zes eieren die nu ook konden dienen.
Na de middag keerden de kinderen niet meer terug. Want in de naam van de wet hadden ze verlof tot de volgende dag en dan zouden ze bij juffrouwen moeten gaan om hun lessen af te halen of hun handwerkkussens op te halen. Om 14u begon het droevig toneel van het buitenzetten van de 22 zusters. De eerste zuster kwam naar buiten, bleek en bevend met de tranen in de ogen, met haar pover pakje in de hand.
De deur rolde achter haar dicht, voor altijd. Onder het volk ontstond er een gehuil, een getier tegen de Baras-wet en een hoerageroep voor de Lamotjes. Het lunderde in de lucht! De zuster werd zowat gedragen door de menigte. Maar ze had niet geweten waarin en waaruit ware het niet geweest van de edelmoedige christenliefde van een waardige en deftige familie die hier ten eeuwigen dage mocht genoemd worden. En dat was de familie Begerem.
Korte tijd later verschenen er twee andere zusters aan de voordeur, en nog wat later drie, dan vier die allen op dezelfde manier hun dierbare haard moesten verlaten en vaarwel zeggen. Ze vonden allen een schuilplaats bij mevrouw Begerem of bij mijnheer René Begerem. Het was waarlijk hartverscheurend om te zien hoe die arme, bevende, treurige wezens, die weergaloze dochters en het bijzonder het wezen van de oude zuster Barbara die bijna in bezwijming viel, zij die nooit anders gedroomd had dan te leven en te sterven in haar Lamotteschool. Er bleef nu nog één zuster over in het gebouw.
En dat was zuster Scholastica. Ze wilde er niet weg, ze kon het niet over haar hart krijgen om Jezus daar alleen achter te laten met zijn heilig sacrament. Maar wat ze ook zei of wilde, buiten moest ze. Met haar hart gespannen en gesnoerd moest ze het klooster, de kapel en haar God verlaten. Weldra stond ook zij buiten en samen met haar alle andere zusters op straat, zonder huis, zonder slaapplaats, zonder eten of drinken. Ware het niet geweest van de christelijke liefdadigheid.
Vierhonderd kinderen werden van hun werk gegooid en zoveel arme families nu zonder hun zo nodige winsten gezet. Gedurende de hele tijd dat dit Chinees politiewerk duurde, wandelde mandarijn Vanheule over de Grote Markt en slingerde hij met zijn ‘kane’ terwijl hij bij zichzelf dacht ”t Is ik’. ‘s Avonds moesten de zusters slaping hebben. Ze trokken nu langs hier en langs daar, altijd maar gevolgd door een grote menigte van hun kinderen die hen de schoonste tekenen van liefde en genegenheid toonden.
Elk van de zusters trok nu naar de plaats waar de liefdadigheid hen naartoe geroepen had. Enkele in de Sint-Jozefschool, enige bij de Roesbrugge-Dames, bij de zwarte zusters en vijf bleven er bij mevrouw Begerem. Wat de politie nog verder uitrichtte in het Lamotteklooster kon ik niet meer zeggen. Maar indien het waar was wat men ervan vertelde was het zeker niet om er eerbied en achting mee te winnen. Het was voldoende om te zeggen dat er de hele nacht licht te zien was op de verscheidene kamers en cellen.
Donderdag 9 oktober 1873. Vandaag was er al niet minder gewoel en gerucht in de stad. Het was de dag dat de Lamottekinderen hun kantkussens gingen halen. En allen wilden verhuizen, zonder uitzondering, geen enkele wilde de juffrouwen verwachten. De zusters, de kinderen en hun moeders kwamen samen in de Sint-Jacobsstraat, in de oude broederschool en het was een hoera dat heel de dag zou duren omdat ze nu een plaats gevonden hadden waar geen deurwaarder nog zijn voet zou kunnen binnenzetten. De Sint-Jacobsstraat had hun komst luisterrijk gevierd.
Wimpels en vaandels versierden alle huizen en ‘s avonds was er heerlijke verlichting. De politie was op de been, men zou gezegd hebben dat er een revolutie aan de gang was. Hoewel hier niets te vrezen viel. Het was hetgeen mijnheer Barbier die hier ter eeuwige memorie mocht neergeschreven worden opmerkte aan een van die mannen van de weg, dat ze de baan moesten ruimen dat hij zelf wel zou instaan voor de orde. De agent trok zijn ‘getten’ op en mijnheer Barbier had er de hele donderdag gestaan en deftig de orde gehouden en getoond dat hij over een hart beschikte. En daarmee was het voornaamste van deze onvergetelijke gebeurtenis gezegd.
Op die manier was het dat een van de edelste en beste gestichten die tot stand gekomen was door oude christelijke Ieperlingen door andere – door Ieperlingen gekozen – Ieperlingen vernield werd. Daarom was het dat ‘Het Nieuwsblad’ in rouwstemming was, net zoals ‘Het Ypersche’. Deze christelijke kranten betreurden deerlijk een gebeurtenis die het oude Vlaamse Ieper degradeerde en bevlekte.
Maar er was nog oud Iepers katholiek bloed overgebleven om de school opnieuw tot stand te brengen en, tot spijt voor wie dat benijdde zouden de Lamotjes de Lamotjes blijven. Nee! Het mocht gezegd worden dat de tijden van vandaag slechter en onmenselijker waren dan de tijden van keizer Jozef II, de kerkvervolger Robespierre, de mensenmoordenaar Napoleon, de pausverdrukker Willem van Oranje, de protestant. Daarom moest gij allen, die de ware oude Ieperlingen waren, zo veel mogelijk de nieuwe Lamotteschool ondersteunen.
En van nu af aan stonden de kolommen van ‘Het Nieuwsblad’ open om de inschrijvingen en gunsten op te nemen en de middelen te verzamelen van allen die wilden meedoen. Handen aan het werk christelijke liefde! Vlaamse edelmoedigheid! Als de anderen van plan waren op hun laurieren te rusten, zouden wij wel de Lamotjes helpen.
Vrijdag 10 oktober 1873. De zusters mochten dus school houden in de verlaten broederschool. We hadden gezien hoe de bevolking uit de Sint-Jacobsstraat de zusters had ontvangen en hoe gelukkig de mensen waren om hun genegenheid te tonen en hun diensten te bewijzen aan die 22 diepbeproefde kloosterzusters. Toen de kinderen gisteren om 8u30 hun kantkussens en gereedschap waren gaan ophalen, stond langs elke zijde van de ingangspoort een agent met de blote sabel.
De kinderen werden met veel en schone woorden ertoe aangezet om in de frikandellenschool te blijven, bij de nieuwe bestuurster Barbara Louwagie. Maar geen één wilde blijven. Ze trokken allen naar de zusters waar ze met open armen ontvangen werden. Het was nu dat mijnheer Barbier garde speelde. De zusters mochten niet helpen om het gereedschap van de kinderen binnen te brengen.
De heren priesters van het college gaven de kussens, stoelen en staandertjes aan elkaar over en het vloog door hun handen zoals bij de baksteenbakkers. In de Sint-Jacobsstraat was het de hele dag feest geweest en ‘s avonds stond er een grote en prachtige verlichting. Op 10 oktober konden ze in rust beginnen aan de klassen. De kinderen liepen over van geluk dat ze bij hun goede meesteressen mochten blijven.
Meer dan ooit ondervonden de zusters hoe rechtzinnig ze van hun schoolkinderen geacht en bemind waren, en dat deed hen deugd. In de namiddag, gedurende de boeteprocessie waren zusters en kinderen onder de indruk. Ze verenigden zich met de priesters en de bevolking en brachten eerherstel aan Jezus door hun gebed en diep stilzwijgen. En nu zouden de zusters hun schoolwerk verrichten met moed en met vertrouwen in de toekomst. Intussen was de deken bij de heer Begerem om te beraadslagen hoe men de zusters zou verdelen.
• zes zusters bleven bij mevrouw Begerem
• tien zusters bij de zusters van Sint-Jozef
• twee bij de zusters van de Heilige Familie
• twee zusters en een novice bij de zwarte zusters
• een novice bij de Roesbrugge Dames
De novice, zuster Lutgarde was een zeer deugdzame en bekwame zuster. Ze was van Brugge en kende reeds de grootste moeilijkheden van de Lamotteschool. Dat had haar niet weerhouden om haar intrede te doen en het kloosterkleed te ontvangen.
Toen men aan de twee novicen voorstelde om van klooster te veranderen wegens de onzekere toestand, had ze geantwoord dat ze al hun vreugde met iedereen gedeeld had en dat nu ook wou doen met hun lijden en beproevingen. De schone woorden en de edele gevoelens van die jonge zuster dienden onthouden te worden voor het nageslacht want binnen 38 jaar zou ze zelf aan het roer van het klooster komen te staan.
Door toedoen van de deken werd er met enkele menslievende dames, weldoensters van de zusters en kinderen een comité gesticht.
Aan ‘Het Nieuwsblad’ werd gevraagd om geen giften te verzamelen omdat de dames het begeerden zich zelf met liefdadigheidswerk bezig te houden. De reeds gestorte gelden werden hen al overhandigd. Moeder-overste Livine van de zwarte zusters gelastte zich om een omhaling te doen bij de particulieren van de stad. Bisschop Faiet van Brugge gaf toelating aan de zusters om geldinzamelingen te doen in en buiten de stad.
Zusters Francisca en Marie-Jozef, elk met een zwarte zuster, werden belast om dit vernederend werk te ondernemen. Ze waren overal welgekomen. Eenieder gaf volgens eigen vermogen. Als ze de zusters zagen, gingen ze hen met blij gemoed tegemoet, vooral oude en arme mensen met hun kleine gift. Het gebeurde weleens dat zuster Francisca hen het dubbel teruggaf, met een hartelijk woord van dank erbij en dat maakte dan die arme oude mensen gelukkig.
En wat deden mijnheer Vanheule en zijn gezellen? Ze deden al het mogelijke om de oude Lamotteschool een ander uitzicht te geven. Ze wilden alles ten beste inrichten want er moesten veel kinderen in de frikandellenschool komen. Er werd grote propaganda gemaakt met beloften en veel schone woorden. Ze wilden kost wat kost leerlingen winnen uit de zusterschool. Maar ze werden lelijk teleurgesteld, want tot hun grote spijt zagen ze bij de Lamottezusters het aantal toenemen. De stadhuisheren hadden het moeilijker dan ze gedacht hadden.
Ze voelden hun nederlaag en hernomen hun snode laster en leugens tegen hun onschuldige slachtoffers. ‘De Toekomst’ schreef dat volgens de statuten van de fondatie de schoolvrouwen in de Lamotteschool geen nonnen mochten worden. Ze beweerden dat er 50.000 frank ontbrak aan de fondatie en dat de zusters die dus moesten gestolen hebben en dat ze geen patente wilden betalen.
Maar op de laster had ‘Het Nieuwsblad’ gereageerd dat de bisschop hen toegestaan had om nonnen te worden en dat de bewering van die diefstal van 50.000 frank een grove leugen was en dat de laatste rekeningen nog door de stad zelf waren goedgekeurd. Waarom zouden ze hun handtekening geplaatst hebben onder een rekening waarvan dat geld verdwenen was? En als die som dan werkelijk verdwenen was, waarom spanden ze de zusters dan geen proces aan in de plaats van al die laster in de gazetten?
Het waren zuivere lasteraars en vooral onmenselijk, mensen die de Lamotjes zonder hulp, zonder brood, zonder enige steun hadden achtergelaten zodat ze aan het begin van de week niet eens wisten of ze het einde ervan zouden halen. Met daarbij die barbaarsheid van de beschuldiging van die 50.000 frank gestolen te hebben. En natuurlijk wilden de Lamotjes geen patente betalen. Ze hadden hen werkelijk alles ontnomen. Waarmee moesten ze die dan betalen? Ten andere, volgens de wet waren ze niet eens verplicht om dat te doen en had de geestelijke overheid hen dat zelfs verboden.
…. Als een aandenken aan de rouwstemming van de frikandellen van ‘Het Nieuwsblad’ op het op straat zetten van de Lamotjes wilden we nog een laatste keer hebben over hetgeen ze gepubliceerd hadden. Ze vielen hevig uit naar de deurwaarder omdat hij Stragier heette en om nog meer kleur aan hun tableau te geven, nam die nog vier gendarmen mee, maar dat waren zeker vreemde gendarmen geweest omdat die van ons niet uit hun kazerne mochten.
En nu begon hun omschrijving; ‘als al dat slecht volk het convent binnenging dan kon men denken wat ze daar allemaal hadden uitgemeten met die nonnekes!’ Het was middag geworden maar de nonnekes konden nu niet eten, terwijl ze enkele regels verder al wel gegeten hadden. De schrijvers waren zo’n grote leugenaars dat ze bij hun tweede leugen de eerste vergeten hadden.
Nee, ze hadden niets gegeten van de frikandellen die zeer mager klaargemaakt en abominabel waren! Het waren dus blijkbaar de zeven mannen van de wet die de 86 frikandellen hadden opgegeten, het eten van 22 nonnen, want 3 fricadellen voor één non was toch niet te veel? De arme nonnekes die van de aalmoezen leefden, hadden bier, boter, aardappelen, eieren, enz, in de kelder en in een bijzondere kamer nog eens hun pijpen, tabak en sigaren. Hoeveel Ieperlingen die van aalmoezen leefden, konden zo spreken? Ewel zwarte artikelschrijvers! Indien gij al dat volk van de wet daar de 3 ½ tonnen bier had doen uitdrinken, de eieren uitzuipen, de sigaren en de tabak doen roken en de politie de boter doen opeten dan zou men nog meer effect gemaakt hebben en het volk zou zeker in opstand gekomen zijn.
Maar onze nonnetjes waren niet te beklagen. Ze zouden ‘slachten’ gelijk de patertjes. Ze zouden dit jaar de gebroken potten en pannen gaan schooien om hun geschooid eten te koken en binnen een jaar zouden ze een eigendom van meer dan 100.000 frank kunnen kopen. Tenslotte waren de nonnetjes nu buiten uit de Lamotteschool omdat ze zich niet wensten te onderwerpen aan de wet. Het goed van de armen was nu in veiligheid en weldra zou men de Lamotteschool gekuist, gezuiverd en volgens de noodwendigheden van de gezondheidsleer ingericht nu wel goed zien gedijen.
De kinderen zouden een gezondere lucht inademen en ruimte hebben om te lopen en te spelen. Gediplomeerde meesteressen zouden hen al het nodige aanleren wat een huismoeder later moest weten en ondanks dat alles zou de winst van het speldenwerk meer opbrengen als voorheen omdat de ouders zelf het werk van hun kinderen zouden mogen verkopen.
Dit is een fragment uit Boek 1830-1876 van De Grote Kroniek van Ieper


