Maandag 1 januari 1906. Het was nieuwjaarsdag. Minder dan vroeger was het getal bezoekers en wandelaars die bijna van deur tot deur hun wensen aanboden, vervat in een streepje ivoor-karton. De voornaamste overheden volgden trouwens het voorbeeld van de koning en ontvingen niet op nieuwjaarsdag. Anderen volgden, en zo kwam het dat men veel minder dan andere jaren ‘officiële’ groepen zag rondgaan om ‘eer en hulde’ te bewijzen.
Het belette nochtans niet dat er gedronken werd op de gezondheid van Pier, Jan of Klaai. In zoverre dat er velen hun eigen gezondheid te kort deden met op de gezondheid van een ander te peinzen. En zo kwam het dat ook de zatlappen ‘s avonds in het geheel niet zeldzaam waren en dat de nieuwjaarsdag allicht dronkaardsdag zou mogen genoemd worden.
Mocht die dag dan nog ‘Verloren Maandag’ vervangen of dronkaardsmesdag vervangen, dan zou dat maar een klein ongeluk zijn, maar dat zou gewoon nog eens extra drinkersdag zijn en niets meer.
Zaterdag 6 januari 1906. Sedert lang waren de inbraken en diefstallen zo talrijk niet als nu. Sint-Maartens te Ieper was nog altijd het onderwerp van veel gesprekken, maar de diefstal bleef nog altijd onopgehelderd. Zondagavond om 19u had men nog geprobeerd om in te breken bij mijnheer Giller-Ghekiere in de Sint-Maartensnieuwweg en vanochtend stond heel de stad overeind voor een nieuwe diefstal in de Sint-Jacobskerk.
Toen koster Raeckelboom om 5u30 de kerk ging ontsluiten vond hij in aan de rechterkant van het Sint-Jacobskoor het beeld van heilige Philomena op de grond, in het midden van de vloer. Seffens was hij overtuigd dat er dieven in de kerk waren geweest. De pastoor werd direct verwittigd en politie begon direct met de vaststellingen. Al de offerblokken, op twee na die de schurken vermoedelijk niet gevonden hadden, waren opengebroken.
Het zou waarschijnlijk geen rijke vangst geweest zijn want de bussen werden wekelijks gelicht. Bij de beelden van Sint Aloysius was alles geplunderd, de dieven hadden de panelen afgenomen. De zilveren lelietak die Sint-Antonius in de handen droeg, was verdwenen en ook de offerblok.
Bij Sinte-Anna en Sinte-Apollonia hetzelfde. Bij de beelden van Sint-Hubert, Sint-Rochus en Sint- Andreas hadden de dieven de middelste deur afgenomen hetgeen deed beloven dat ze de kerk goed kenden. Op het altaar van het heilig sacrament waren de kandelaars en de versieringen afgebroken maar de dieven moesten ofwel een slechte memorie hebben of gestoord geweest zijn, want ze hadden daar alles laten liggen.
De dieven hadden overal lucifers ontstoken en op het hoog altaar hadden ze een koperen kandelaar gevonden die ze gebruikt hadden om licht te maken. Over het algemeen was de waarde van de gestolen buit niet zeer groot. Maar de aangerichte schade was nogal belangrijk. Het was twijfelachtig hoe ze in de kerk waren geraakt. Hadden ze zich laten binnen sluiten?
Gisterenavond was er een vreemde schooier die Frans sprak tot bij de priester van Sint-Jacobs geweest om een aalmoes te vragen. Hij had een heel schurkachtig uitzicht en wie wist of het geen vreemde luizen waren die met of zonder hulp van deugnieten uit de stad of de streek hier onze kerken en huizen kwamen plunderen?
Donderdag 11 januari 1906. Sedert enige tijd vermenigvuldigden de diefstallen zich in Ieper. Na deze, bedreven in de Sint-Maartenskerk van 25 december, deze van de Diksmuidestraat en van de Sint-Maartensnieuwweg had men in de nacht van 4 op 5 januari nu ook de Sint-Jacobskerk gepluimd, waar volgens we vernomen hadden, de buit nog aanzienlijker was dan in de kerk van Sint-Maartens.
Maar wat deed de politie er aan? Het stadsbestuur had ons begiftigd met een politiecommissaris, een majoor, bijzondere agenten voor de automobielen met personeel wiens hoofd versierd was op zijn Pruisisch. Dat was allemaal kinderachtigheid. Men scheen te vergeten dat de politie moest dienen om de veiligheid van de inwoners te verzekeren. Het scheen trouwens dat alle diensten eindigden te rekenen vanaf middernacht.
Dan was er maar één agent meer in dienst en hij bleef er bestendig aanwezig. De dieven hadden dus vrij spel. Ze pleegden hun diefstallen bij nacht en ze geneerden zich zelfs niet om op klaarlichte dag te stelen. We vroegen ons af indien in de plaats van al die veranderingen te doen het gemeentebestuur er niet beter zou aan gedaan hebben om het politiereglement aan te passen om op die manier de waakzaamheid te verdubbelen en de dieven te beletten straffeloos de vreedzame inwoners van Ieper te bestelen.
Wat we nodig hadden, was een politie die ons beschermde tegen de dieven en niet een politie in pronkgewaad. Zou het stadsbestuur dan niet een dienst van nachtwakers kunnen organiseren die de stad zou doorlopen tijdens de uren dat de agenten op rust waren?
Dit zijn fragmenten uit Boek 1877-1913 van De Grote Kroniek van Ieper


